- Arrest van 19 mei 2011

19/05/2011 - C.10.0573.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de rechter de materiële schade bepaalt die voortvloeit uit een blijvende arbeidsongeschiktheid, moet hij rekening houden met de geschiktheid van de getroffene, gelet op diens concrete toestand en op de economische en sociale vereisten en realiteiten, om niet alleen zijn beroep ten tijde van het ongeval maar ook andere beroepsactiviteiten uit te oefenen; de rechter moet met name rekening houden met de leeftijd, de opleiding, de beroepsbekwaamheid en het aanpassingsvermogen van de getroffene (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0573.F

A. T.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. ETHIAS nv,

2. MUTUELLES DU MANS, vennootschap naar vreemd recht,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 1 februari 2010.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In zijn cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiser drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Tweede onderdeel

Wanneer de rechter de materiële schade bepaalt die voortvloeit uit een blijvende arbeidsongeschiktheid, moet hij rekening houden met de geschiktheid van de getroffene, gelet op diens concrete toestand en op de economische en sociale vereisten en realiteiten, om niet alleen zijn beroep ten tijde van het ongeval maar ook andere beroepsactiviteiten uit te oefenen. De rechter moet met name rekening houden met de leeftijd, de opleiding, de beroepsbekwaamheid en het aanpassingsvermogen van de getroffene.

Het bestreden vonnis dat oordeelt dat eisers persoonlijke toestand "niets te maken heeft met het ongeval en niet hersteld moet worden door de verzekerde van de [eerste verweerster]", dat eisers specifieke toestand, namelijk dat hij "ongeletterd en ongeschoold" is, wat "het vinden van een job zeker bemoeilijkt", niet in oorzakelijk verband staat met de fout van de verzekerde van [de eerste verweerster] en bijgevolg niet in aanmerking mag worden genomen om eisers percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid te bepalen, schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Derde middel

Artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Krachtens artikel 14 van die wet bepaalt de Koning de datum van de inwerkingtreding van de bepalingen van de wet en treedt de wet in werking uiterlijk op 1 januari 2008.

Krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007, treden de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 en dat koninklijk besluit zelf in werking op 1 januari 2008.

Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van die artikelen.

Krachtens die bepalingen is de wet van 21 april 2007, vanaf haar inwerkingtreding, onmiddellijk van toepassing op de hangende zaken.

Onder hangende zaken worden de zaken bedoeld waarover nog uitspraak moet worden gedaan bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever wilde bereiken dat de partijen zo snel mogelijk op een gelijke manier zouden worden behandeld op het vlak van de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van advocaten, ongeacht de datum waarop de zaak werd ingeleid.

Hieruit volgt dat, wanneer de eerste rechter vóór 1 januari 2008 in de zaak uitspraak heeft gedaan, de uitspraak over de kosten in eerste aanleg gebaseerd heeft op grond van de oude wet, maar de uitspraak over de op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek gevorderde verdediging heeft aangehouden, de appelrechter bij wie de zaak regelmatig aanhangig is gemaakt en aan wie is gevraagd om na 1 januari 2008 op grond van de nieuwe wet uitspraak te doen over de kosten van de beide aanleggen, die wet moet toepassen om zowel de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep als de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg te bepalen.

Het bestreden vonnis wijst erop dat:

- het beroepen vonnis van 12 november 2007 "de uitspraak over de verdedigingskosten heeft aangehouden" en "[de verweersters] heeft veroordeeld in de kosten van eerste aanleg, inclusief de destijds geldende rechtsplegingsvergoeding", dus op grond van de oude wet;

- de eiser in hoger beroep "vordert dat de [eerste verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de beide aanleggen, inclusief een rechtsplegingsvergoeding van 7.500 euro per aanleg", dus, meer bepaald voor de eerste aanleg een rechtsplegingsvergoeding die is vastgesteld op grond van de nieuwe wet.

Het bestreden vonnis dat na die vermeldingen oordeelt dat "er hoe dan ook geen grond bestaat om terug te komen op het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding die het [beroepen vonnis] heeft toegekend", op grond van de oude wet, schendt de voornoemde wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de tijdelijke huishoudelijke schade van de eiser en over zijn blijvende materiële beroepsschade voor de "periode na april 2003 tot de pensionering" en het uitspraak doet over de kosten van de beide aanleggen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zitting houdend in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 19 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Blijvende ongeschiktheid

  • Verlies van arbeidsgeschiktheid

  • Vermindering van de economische waarde

  • Bepaling

  • Criteria