- Arrest van 20 mei 2011

20/05/2011 - F.10.0074.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beslissing van de rechter die op grond van artikel 6 E.V.R.M. een administratieve geldboete van 200% van de ontdoken belasting, opgelegd in toepassing van artikel 70, §2, W.B.T.W, vermindert op grond van het proportionaliteitsbeginsel, impliceert niet dat hij oordeelt dat het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 onwettig is, noch dat de rechter afwijkt van de schalen opgelegd door dit K.B. (Impliciet).

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0074.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van het controlecentrum Dendermonde, met kantoor te 9200 Dendermonde, Begijnhoflaan 49,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

DRANKEN VAN EETVELDE nv, met zetel te 9160 Lokeren, Bokslaarstraat 88,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 9 maart 2010.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 februari 2011 een conclusie neergelegd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor het bestreden arrest de aangevoerde onwettigheid bevat.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

2. Het onderdeel gaat verkeerdelijk ervan uit dat aan de verweerster een boete werd opgelegd in toepassing van artikel 70, § 1, Btw-wetboek.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

3. Het onderdeel voert aan dat het arrest nalaat aan te tonen waarom de geldboete objectief gezien onevenredig is en nalaat te onderzoeken in welke mate het bestuur zelf gebonden is door de sanctie.

Het onderdeel voert in werkelijkheid geen motiveringsgebrek maar een onwettigheid aan.

Het onderdeel dat in dit verband alleen artikel 149 Grondwet als geschonden aanwijst, is niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

4. Anders dan het onderdeel aanvoert, wijkt het arrest niet af van de schalen opgelegd door het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, maar vermindert het arrest op grond van het proportionaliteitsbeginsel de administratieve geldboete die werd opgelegd in toepassing artikel 70, § 2, Btw-wetboek.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

5. Het arrest beslist niet dat het voornoemde koninklijk besluit nr. 41 onwettig is, maar oordeelt dat de rechter op grond van artikel 6 EVRM de volle rechtsmacht heeft om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is of zij alle beginselen waaronder het evenredigheidsbeginsel, naleeft die de administratie in acht moet nemen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 183,42 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 20 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Administratieve sancties met repressief karakter

  • Wettelijkheid van de sanctie

  • Evenredigheid met de inbreuk

  • Toetsingsrecht van de rechter

  • Draagwijdte van de beslissing