- Arrest van 23 mei 2011

23/05/2011 - C.09.0388.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de vaststellingen dat de bestuurder van een voertuig de gelijkgrondse berm heeft moeten oprijden, dat er een groot hoogteverschil tussen de rijbaan en die berm bestond en dat het ongeval zich heeft voorgedaan op het ogenblik dat die bestuurder de rijbaan opnieuw heeft willen oprijden, heeft de rechter niet wettig kunnen afleiden dat dit grote hoogteverschil niet in een oorzakelijk verband stond tot het ongeval (1). (1) Zie Cass. 9 okt. 1967, AC, 1968, 194.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0388.F

1. M. D.,

2. ALLIANZ BELGIUM nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ETHIAS nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 12 december 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Bergen.

De zaak is bij beschikking van 29 april 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseressen voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, gecoördineerd door het coördinatiebesluit van 24 juni 1988, bekrachtigd bij de wet van 26 mei 1989, zoals gewijzigd bij de wet van 27 mei 1989.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiseressen ongegrond, bevestigt het gehele beroepen vonnis van 28 juni 2007, laat de kosten van het appelverzoekschrift van de eiseressen te hunnen laste en veroordeelt hen om aan de verweerster de kosten van haar geding in hoger beroep te betalen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, die vastgesteld wordt op een bedrag van 900 euro, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder om de volgende redenen:

"De rechtbank is van oordeel dat:

- het aannemelijk kan worden geacht dat de eerste eiseres op de gelijkgrondse berm heeft moeten rijden omdat er een vrachtwagen uit de tegenovergestelde richting kwam aangereden en er niet genoeg plaats op de rijbaan was;

- er weliswaar een groot hoogteverschil was tussen de recentelijk heraangelegde rijbaan en de gelijkgrondse berm;

Het ongeval is echter overdag en bij goed zicht gebeurd. Het hoogteverschil was dus duidelijk zichtbaar voor elke normaal voorzichtige bestuurder en vormde geen onoverkomelijke hindernis; toen de vrachtwagen naderde, had de eerste eiseres bijgevolg haar snelheid moeten aanpassen om veilig op de gelijkgrondse berm te kunnen rijden ; de slingerbeweging die de eerste eiseres heeft gemaakt toen zij de rijbaan terug wilde oprijden, toont aan dat zij haar snelheid niet heeft aangepast aan de omstandigheden, hoewel die konden worden voorzien;

Om die redenen is het ongeval geheel te wijten aan de fout van de eerste eiseres;

Het hoger beroep moet ongegrond worden verklaard, zonder dat de fout die aan de stad Bergen, de verzekerde van de verweerster, verweten wordt, onderzocht hoeft te worden, daar het ongeval ook zonder een fout van de stad Bergen op die wijze zou zijn gebeurd (de rechter die vaststelt dat de schade zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder fout, moet besluiten dat er geen oorzakelijk verband tussen die fout en die schade betaat, Cass., 20 december 1996, A.C. 1966, nr. 522);

Het beroepen vonnis moet worden bevestigd".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek is degene die een fout begaat die schade veroorzaakt, burgerrechtelijk aansprakelijk voor die fout. De schending van een rechtsregel vormt in de regel een fout waarvoor degene die ze heeft begaan aansprakelijk kan worden gesteld.

Krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is de bewaarder van een gebrekkige zaak die schade veroorzaakt, voor die schade aansprakelijk.

Artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988, dat handelt over de bevoegdheden van de gemeenten in het algemeen, bepaalt het volgende:

"De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.

Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd:

1° Alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen (...)".

Krachtens artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, moeten de wegen die het gemeentebestuur aanlegt en voor het verkeer openstelt voldoende veilig zijn. Behoudens een vreemde oorzaak waarvoor de gemeente niet aansprakelijk kan worden gesteld en die haar zou beletten haar veiligheidsplicht na te komen, moet zij passende maatregelen nemen om elk abnormaal, verborgen dan wel zichtbaar, gevaar te voorkomen waardoor de weggebruikers in hun gewettigde verwachtingen kunnen worden bedrogen. Die veiligheidsplicht geldt ook voor de bermen.

Het verkeersslachtoffer kan weliswaar aansprakelijk worden gesteld indien bewezen wordt dat het een fout heeft begaan die in een oorzakelijk verband staat tot dat ongeval. Die aansprakelijkheid sluit echter de medeaansprakelijkheid van een derde niet uit.

Wanneer het verkeersslachtoffer een derde mede aansprakelijk acht wegens een persoonlijke fout of wegens het gebrek van de zaak die hij onder zijn bewaring heeft, kan de rechter alleen besluiten dat er geen oorzakelijk verband tussen die fout of dat gebrek en de schade bestaat wanneer hij vaststelt dat die schade zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan, ook zou zijn ontstaan zonder de fout of het gebrek waarop het slachtoffer zich beroept.

De eiseressen betoogden dat de rijbaan, door het grote hoogteverschil van tien centimeter tussen de rijbaan en de niet verharde gelijkgrondse berm, dat daarenboven niet door een verkeersteken onder de aandacht van de weggebruikers was gebracht, een abnormaal gevaar vormde en dat dit hoogteverschil in een oorzakelijk verband stond tot het litigieuze ongeval. De eiseressen betoogden bijgevolg dat de stad Bergen, de verzekerde van de verweerster, een fout had begaan wegens verzuim van haar veiligheidsplicht, die zij moet nakomen krachtens artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988, en, subsidiair, dat de stad Bergen voor dat gebrek in de rijbaan aansprakelijk was in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden vonnis stelt wel degelijk vast dat er "een groot hoogteverschil was tussen de recentelijk heraangelegde rijbaan en de gelijkgrondse berm". Toch beslist het arrest dat alleen de eerste eiseres aansprakelijk was voor het ongeval, dat zich heeft voorgedaan toen zij vanop de berm de rijbaan terug opreed, op grond dat het hoogteverschil zichtbaar was en dat de eiseres haar snelheid dus aan dat grote hoogteverschil had moeten aanpassen. Het bestreden vonnis weigert aldus de aan de stad Bergen verweten fout, namelijk dat zij haar veiligheidsplicht heeft verzuimd door een rijbaan met een te groot hoogteverschil tussen de berm en de rijbaan aan te leggen en voor het verkeer open te stellen, en het gebrek van de rijbaan te onderzoeken. Het baseert die weigering hierop dat "het ongeval ook zonder een fout van de stad Bergen op die wijze zou zijn gebeurd".

Indien het litigieuze ongeval, zoals het bestreden vonnis beslist, werd veroorzaakt door de snelheid van de eerste eiseres, die niet was aangepast aan het grote hoogteverschil tussen de rijbaan en de berm, dan volgt hieruit dat het litigieuze ongeval, zonder dat grote hoogteverschil - dat volgens de eiseressen een fout of een gebrek vormde waarvoor de stad Bergen aansprakelijk was -, zich niet had kunnen voordoen zoals het in concreto is gebeurd. Het bestreden vonnis kon dus niet beslissen dat de aan de stad Bergen verweten fout, of impliciet het haar verweten gebrek, met betrekking tot het te grote hoogteverschil tussen de rijbaan en de berm, niet in oorzakelijk verband stond tot het ongeval.

Het bestreden vonnis miskent aldus het wettelijk begrip oorzakelijk verband door te beslissen dat het ongeval, zonder het litigieuze hoogteverschil, zich zou hebben voorgedaan zoals het in concreto is gebeurd. Het miskent daarenboven de wettelijke begrippen fout en gebrek door niet te onderzoeken of het grote hoogteverschil tussen de berm en de rijbaan niet een fout of een gebrek was waarvoor de stad Bergen aansprakelijk kon worden gesteld.

Het schendt aldus de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek alsook artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste onderdeel

Hoewel de feitenrechter op onaantastbare wijze oordeelt over het bestaan van een fout en over het oorzakelijk verband tussen die fout en de schade, gaat het Hof evenwel na of de rechter de wettelijke begrippen fout en oorzakelijk verband niet heeft miskend en, met name, of de door hem vastgestelde feiten de gevolgen wettigen die hij in rechte eruit afleidt.

Een zaak is door een gebrek aangetast indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Hoewel de feitenrechter op onaantastbare wijze oordeelt over de feiten waaruit hij het gebrek afleidt, gaat het Hof niettemin na of de rechter, uit die vaststellingen, wettig die beslissing heeft kunnen afleiden.

De eiseressen betoogden dat de rijbaan, door het grote hoogteverschil van tien centimeter tussen de rijbaan en de niet verharde gelijkgrondse berm, dat daarenboven niet door een verkeersteken onder de aandacht van de weggebruikers was gebracht, een abnormaal gevaar vormde en dat dit hoogteverschil in een oorzakelijk verband stond tot het litigieuze ongeval. De eiseressen betoogden bijgevolg dat de stad Bergen, de verzekerde van de verweerster, een fout had begaan wegens verzuim van haar veiligheidsplicht, die zij moet nakomen krachtens artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988, en, subsidiair, dat de stad Bergen voor dat gebrek in de rijbaan aansprakelijk was in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Volgens het bestreden vonnis "kan het aannemelijk worden geacht dat [de eerste eiseres] op de gelijkgrondse berm heeft moeten rijden omdat er een vrachtwagen uit de tegenovergestelde richting kwam aangereden en er niet genoeg plaats op de rijbaan was" en dat "er weliswaar een groot hoogteverschil was tussen de recentelijk heraangelegde rijbaan en de gelijkgrondse berm".

Het beslist evenwel dat het ongeval overdag en bij goed zicht is gebeurd, waarbij "het hoogteverschil duidelijk zichtbaar was voor elke normaal voorzichtige bestuurder en vormde geen onoverkomelijke hindernis", dat "de slingerbeweging die [de eerste eiseres] heeft gemaakt toen zij de rijbaan terug wilde oprijden, aantoont dat zij haar snelheid niet heeft aangepast aan de omstandigheden, hoewel die konden worden voorzien", dat "het ongeval om die redenen geheel te wijten is aan de fout van [de eerste eiseres]". Het vonnis leidt hieruit af dat "het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard, zonder dat de fout die aan de stad Bergen, [de verzekerde van de verweerster], verweten wordt, onderzocht hoeft te worden, daar het ongeval ook zonder een fout van de stad Bergen op die wijze zou zijn gebeurd".

Uit de vaststellingen dat de eerste eiseres de gelijkgrondse berm heeft moeten oprijden, dat er een groot hoogteverschil tussen de rijbaan en die berm bestond en dat het ongeval zich heeft voorgedaan op het ogenblik dat die bestuurster de rijbaan opnieuw heeft willen oprijden, hebben de appelrechters niet wettig kunnen afleiden dat dit grote hoogteverschil niet in een oorzakelijk verband stond tot het ongeval.

Het vonnis had bijgevolg wel moeten onderzoeken of dat grote hoogteverschil geen fout van de stad Bergen was dan wel geen gebrek van de rijbaan vormde.

Het bestreden vonnis verantwoordt derhalve niet naar recht zijn beslissing volgens welke de stad Bergen, de verzekerde van de verweerster, geenszins aansprakelijk is.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Doornik, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, als voorzitter, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 23 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Wegen

  • Aansprakelijkheid buiten overeenkomst

  • Oorzaak

  • Begrip

  • Beoordeling door de rechter