- Arrest van 23 mei 2011

23/05/2011 - C.11.0253.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een vordering tot schorsing van de rechtspleging die alleen ertoe strekt de rechtsgang te belemmeren, moet worden verworpen; daarenboven moet het Hof zeer snel uitspraak doen over een vordering tot wraking.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0253.F

L. M.,

Mr. Thierry Lévy, advocaat bij de balie te Parijs en mr. Bernard Mouffe, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Bij akte, die op 1 april 2011 is neergelegd op het secretariaat van de Nationale Tuchtraad en die ondertekend is door Meester B.M., advocaat bij de balie te Brussel, vordert verzoeker de wraking van de heer ridder J.d.C., voorzitter van de Nationale Tuchtraad in de zaak met nummer 10.0009.F op de algemene rol van die raad.

Die magistraat heeft op 1 april 2011, overeenkomstig artikel 836, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de met redenen omklede verklaring afgelegd luidens welke hij weigert zich van de zaak te onthouden.

De zaak is bij beschikking van 14 april 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

De eiser heeft op 20 mei 2011 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de zitting van 23 mei 2011 heeft afdelingsvoorzitter Paul Mathieu verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

De vordering tot schorsing van de rechtspleging

1. Verzoeker voert in de door hem op 20 mei 2011 neergelegde conclusie aan dat hij de minister van Justitie verzocht heeft om de toepassing van artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek. Die vordering dagtekent van 19 mei 2011.

Krachtens die bepaling worden de handelingen waarbij de rechters hun bevoegdheid mochten hebben overschreden, door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aangebracht bij dat Hof, zelfs wanneer de wettelijke termijn voor het cassatieberoep verstreken is en geen enkele partij cassatieberoep heeft ingesteld.

2. Het Hof stelt het volgende vast :

- de rechtsdag voor de behandeling van de door verzoeker gevorderde wraking van de heer ridder J.d.C., die de Nationale Tuchtraad had voorgezeten in de zaak met nummer 10.0009.F op de algemene rol van die raad, was vastgesteld op de zitting van 18 april 2011 van het Hof;

- verzoeker heeft diezelfde dag op de griffie vier verzoekschriften neergelegd, die strekten tot wraking van vier van de vijf leden van het rechtscollege, met name de raadsheren S.V., M.R., A.S. en M.D.; toen die magistraten weigerden zich van de zaak te onthouden, werd de rechtsdag voor de behandeling van die vier verzoekschriften vastgesteld op de zitting van 28 april 2011;

- op 27 april heeft verzoeker, in elk van die zaken, een nieuw verzoekschrift tot wraking neergelegd, ditmaal gericht tegen raadsheer B.D.; laatstgenoemde weigerde zich van de zaak te onthouden;

- op de zitting van 28 april, waarop verzoeker en zijn twee raadslieden regelmatig zijn opgeroepen maar niet zijn verschenen, heeft het Hof vier arresten gewezen die het verzoek tot wraking van raadsheer D. verwierpen, op grond dat de nieuwe verzoekschriften uitsluitend ertoe strekten de rechtsgang te belemmeren en een rechtsmisbruik opleverden; het Hof heeft op dezelfde zitting vervolgens de verzoeken tot wraking van de raadsheren V., R., S. en D. verworpen.

3. Uit de voormelde omstandigheden en uit de talrijke andere wrakingsprocedures die verzoeker reeds heeft ingeleid, in het bijzonder in de loop van het jaar 2011, en die alle door het Hof zijn verworpen, kan worden afgeleid dat verzoeker misbruik maakt van zijn rechtsmiddelen om de rechtsgang te belemmeren.

De vordering tot schorsing van de rechtspleging, om de reden die hij vermeldt in zijn conclusie van 20 mei, beoogt hetzelfde doel.

Daarenboven moet het Hof, krachtens de artikelen 836 tot 838 Gerechtelijk Wetboek, zeer snel uitspraak doen. Die verplichting wordt verantwoord door de in artikel 837, eerste lid, bepaalde schorsende werking van het verzoek tot wraking.

4. De vordering tot schorsing van de rechtspleging moet dus worden verworpen.

Het verzoek tot wraking

1. Ten gevolge van de aangifte die op 29 september 2010 werd gedaan bij de Nationale Tuchtraad, moet die raad, overeenkomstig artikel 409, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, de aan de wrakende partij verweten feiten onderzoeken en zijn advies uitbrengen over een eventuele op te leggen straf.

De grief waarvoor de wrakende partij moet terechtstaan, bestaat hierin dat hij, in het vonnis dat op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2009 werd gewezen, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te D., zijn korpschef, kwaadwillig beschuldigd heeft van rechtsweigering, een misdrijf dat strafbaar is krachtens artikel 258 van het Strafwetboek, alsook van het strafbaar opzet om valsheid in geschriften te plegen in de zin van de artikelen 193 en 195 van dat wetboek, en dat hij verzuimd heeft de hem voorgelegde zaak te berechten door aan de procureur des Konings onnodig te vragen een schriftelijk advies over die aantijgingen uit te brengen, zodat hij van zijn rechtsprekende functie misbruik heeft gemaakt in het geschil dat tussen hem en zijn hiërarchische overste was gerezen.

2. De wrakende partij betoogt dat de magistraat tegen wie de wraking gericht is, kennisgenomen heeft van twee zaken die de werking van de voormelde rechtbank betroffen en dat hij in beide zaken partij heeft gekozen voor de korpschef.

Het verzoek tot wraking is gegrond op artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk elke rechter wegens gewettigde verdenking gewraakt kan worden.

3. Onder de titel "De subjectieve onpartijdigheid" voert verzoeker aan dat het Hof van Cassatie, voorgezeten door afdelingsvoorzitter ridder J.d.C., een vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechtbank van eerste aanleg te D., waarvan hij deel uitmaakt, en die was ingesteld door de burgemeester van die stad, heeft verworpen. Verzoeker betoogt dat hij, in tegenstelling tot zijn confraters, ervoor pleitte de zaak te onttrekken aan dat gerecht, zodat de verwerping van die vordering zou betekenen dat er aan zijn andersluidend advies geen geloof kan worden gehecht.

Gewettigde verdenking kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat voorzitter ridder J.d.C. zitting heeft gehouden in een andere zaak dan die waarop de wraking betrekking heeft en dat hij mede een beslissing heeft gewezen die niet strookte met die waarop de wrakende partij had aangedrongen.

Het arrest dat het Hof in die zaak gewezen heeft op 12 januari 2011, met het rolnummer P.10.1867.F, vermeldt overigens de redenen waarom de zaak niet werd onttrokken aan de rechtbank waarvan de wrakende partij deel uitmaakt. Geen van die redenen kan de uitlegging krijgen die de wrakende partij eraan geeft.

Aangezien er geen enkel gegeven voorgelegd wordt tot staving van de bewering volgens welke het Hof, voorgezeten door voorzitter ridder d.C., de onttrekking van de zaak om andere redenen geweigerd zou hebben dan om die welke vervat zijn in het voormelde arrest, bestaat er voor het overige geen grond om de vordering tot overlegging van de stukken gegrond te verklaren.

4. Onder de titel "De objectieve onpartijdigheid" betoogt de wrakende partij dat de magistraat van wie zij de wraking vordert, reeds in de hoedanigheid van tuchtmagistraat heeft moeten kennisnemen van het conflict tussen de wrakende partij en haar korpschef in de zaak D.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat onderzoeksrechter P.H. en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen, A.N., beweerd hebben dat de vervolging betreffende de feiten van 7 oktober 2009 "rechtstreeks in het verlengde lag van het open conflict dat tussen de wrakende partij en haar korpschef was gerezen naar aanleiding van de zaak D.".

Voor het overige blijkt dat de wrakende partij, op 3 oktober 2006, in het kader van de zaak D. een klacht had neergelegd tegen de eerste voorzitter van het hof van beroep van haar rechtsgebied, waarbij zij die magistraat verweet dat hij niet de nodige maatregelen had getroffen om een tuchtonderzoek in te leiden tegen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te D. en tegen een raadsheer van dat hof. Voorzitter ridder J.d.C. werd op 18 oktober 2006 door de eerste voorzitter van het Hof, overeenkomstig artikel 410, § 1, 1°, eerste streep, van het Gerechtelijk Wetboek, belast met de opdracht alle onderzoeksgegevens te verzamelen op grond waarvan de eerste voorzitter zou kunnen oordelen of er grond bestond om een tuchtprocedure in te leiden tegen de eerste voorzitter van het hof van beroep.

De beslissing van de eerste voorzitter van het Hof om geen tuchtprocedure in te leiden tegen die magistraat en dus geen verder onderzoek te verrichten, kan voorzitter d.C. niet als fout worden aangewreven.

Verzoeker beweert dat die magistraat, in het kader van het het hem toevertrouwde vooronderzoek, zijn beweringen heeft beschouwd "als ongegronde geruchten die zijn verspreid met als doel schade te berokkenen".

Voorzitter ridder d.C. erkent de hem verweten feiten niet en de wrakende partij voert geen enkel schriftelijk bewijs, laat staan een begin van bewijs aan om die feiten te staven.

Het Hof meent dat er, gezien de omstandigheden, geen grond bestaat om de vordering tot overlegging van stukken en tot verhoor van een getuige toe te wijzen.

5. Er bestaat geen grond tot wraking.

De vordering is niet gegrond.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de vordering tot schorsing van de rechtspleging en de wraking.

Wijst gerechtsdeurwaarder C.M., met standplaats te ... , aan om het arrest, op verzoek van de griffier, binnen achtenveertig uren aan de partij te betekenen.

Veroordeelt verzoeker in de kosten, met inbegrip van de kosten van de betekening van dit arrest.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, als voorzitter, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 23 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vordering tot schorsing van de rechtspleging

  • Gegrondheid