- Arrest van 25 mei 2011

25/05/2011 - P.10.1111.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Staat, administratie der directe belastingen, heeft het recht om, zoals iedere benadeelde, een burgerlijke rechtsvordering in te stellen wegens schade waarvoor de belastingwetgeving geen eigen mogelijkheid tot herstel kent.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1111.F

F. D.,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Federale Overheidsdienst Financiën, nationale invorderingscel,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 26 mei 2010, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 12 maart 2008.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De strafvordering tegen de eiser werd verjaard verklaard bij een beslissing die de op 12 maart 2008 uitgesproken vernietiging onverkort heeft laten bestaan.

Het hof van beroep diende nog alleen uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder.

Eerste middel

Vierde onderdeel

Het arrest beslist dat de eiser geschriften heeft opgemaakt of doen opmaken voor akten waarvan het gesimuleerde karakter hem bekend was en die met name tot doel hadden een fictieve waardevermindering te creëren op de aandelen van een dochtervennootschap, waardoor valselijk een verlies werd gecreëerd en het feit werd verhuld dat de gelden van een vennootschap op onwettige wijze werden aangewend om deze op te kopen.

De verweerder heeft aangevoerd dat de ten laste van de verkochte vennootschap ingekohierde belasting niet meer kan betaald worden ofschoon zij over voldoende gelden beschikte om haar belastingschuld aan te zuiveren.

Het arrest beslist dat de fout van de eiser de schade heeft veroorzaakt en dat die schade bestaat in de ontdoken belasting. Het zegt dat de eiser hoofdelijk gehouden is tot betaling van de voormelde belasting.

De Staat, administratie der directe belastingen, heeft ongetwijfeld het recht om, zoals iedere benadeelde, een burgerlijke rechtsvordering in te stellen wegens schade waarvoor de belastingwetgeving geen eigen mogelijkheid tot herstel kent.

Enerzijds echter vloeit de belastingschuld niet voort uit fraude. Zij vindt haar oorsprong in de belastbare transactie die men met fraude heeft pogen te verhullen. De fraude kan dus niet de oorzaak zijn, in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, van schade bestaande in het bedrag van de ontdoken belasting.

Anderzijds beschikt de administratie der directe belastingen, wat de belasting betreft, over een eigen mogelijkheid tot herstel die naast de inkohiering bestaat in de hoofdelijkheid, die krachtens artikel 458, eerste lid, WIB92, voortvloeit uit een veroordeling als dader van of als medeplichtige aan misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 453 van het voormelde wetboek. Tot de in dat artikel bedoelde veroordeling behoort ook de beslissing die zich, wegens de verjaring van de strafvordering, ertoe beperkt de bestanddelen van de misdrijven bewezen te verklaren.

Het arrest dat het voormelde artikel 458 niet van toepassing heeft verklaard, beslist bijgevolg niet naar recht dat de eiser hoofdelijk gehouden is tot betaling van de ontdoken belasting.

Het middel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

Beide onderdelen samen

Voor de appelrechters had de eiser het bestaan van schade betwist voortvloeiend uit de bezoldiging van een belastingambtenaar die met het beheer van het dossier was belast. Hij voert aan dat het arrest niet antwoordt op dat verweer en dat het door de daartoe strekkende vordering gegrond te verklaren, artikel 1382 Burgerlijk Wetboek schendt.

Alvorens te wijzen op de complexiteit van het dossier en de duur van het strafonderzoek, oordeelt het arrest dat de verweerder een ambtenaar van de dienst invordering heeft moeten aanwijzen om alle stadia van de strafrechtspleging actief op te volgen en de advocaat die de verdediging van zijn belangen verzekert nuttig bij te staan, en dat die taak geen deel uitmaakt van de normale invordering. Het leidt daaruit af dat de bezoldiging van die ambtenaar geen betrekking had op het normale werk dat hij daardoor niet kon uitvoeren.

Met die overwegingen antwoorden de appelrechters op de conclusie van de eiser en schenden zij noch het begrip vergoedbare schade noch het begrip oorzakelijk verband.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser hoofdelijk gehouden verklaart tot betaling van de ontdoken belasting.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in een vierde van de kosten van zijn cassatieberoep en de verweerder in de overige drie vierde.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Administratie der directe belastingen

  • Recht op herstel

  • Burgerlijke rechtsvordering