- Arrest van 27 mei 2011

27/05/2011 - C.10.0106.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Niet nieuw is het middel dat de schending aanvoert van een wettelijke bepaling die de feitenrechter volgens de motieven van zijn beslissing heeft toegepast (1). (1) Cass. 12 feb. 2009, AR F.07.0063.F, AC, 2009, nr. 120.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0106.N

BIOPELLETS bvba, met zetel te 3211 Lubbeek (Binkom), Tiensesteenweg 124,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

G-SYSTEMS bvba, met zetel te 9160 Lokeren (Eksaarde), Rechtstraat 367B,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149/20, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2009.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt op dat het middel nieuw is en mitsdien niet-ontvankelijk, omdat uit de appelconclusie van de eiseres niet zou blijken dat deze de toelaatbaarheid van de vordering van verweerster in zoverre enkel gesteund op het artikel 97 Handelspraktijkenwet 1991 betwistte.

2. Het middel is niet nieuw, wanneer het de schending aanvoert van een wettelijke bepaling die de feitenrechter volgens de motieven van zijn beslissing heeft toegepast.

3. Het bestreden arrest oordeelt dat de vordering tot staking gesteund op de artikelen 94/5, 95 en 97 Handelspraktijkenwet 1991, reeds gegrond is op basis van het enkele artikel 97, eerste lid, 4, van voormelde wet, zodat de overige middelen niet dienen te worden onderzocht.

4. Het bestreden arrest geeft aldus te kennen dat een vordering die enkel gesteund is op artikel 97, eerste lid, 4, Handelspraktijkenwet 1991 door de belanghebbenden en niet enkel door de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is kan worden ingesteld en geeft aldus een uitlegging van dit artikel die door het middel bekritiseerd wordt.

5. De verweerster werpt ook op dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, doordat de bestreden beslissing wettig verantwoord zou zijn op grond van een inbreuk op de eerlijke handelspraktijken.

6. In zoverre de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel ervan uitgaat dat in het bestreden arrest een door de eiseres begane inbreuk op de eerlijke handelspraktijken werd vastgesteld, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

7. In zoverre de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel ervan uitgaat dat een inbreuk door de eiseres op de eerlijke handelspraktijken moet worden afgeleid uit de door de appelrechter vastgestelde feiten, vereist het een beoordeling in feite, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

De gronden van niet-ontvankelijkheid dienen te worden verworpen.

Gegrondheid

8. Krachtens artikel 97, eerste lid, 4, Handelspraktijkenwet 1991 zoals te dezen van toepassing, stelt de voorzitter van de rechtbank van koophandel eveneens het bestaan vast en beveelt hij eveneens de staking van de uitoefening van een andere handelsactiviteit dan die welke bij het handelsregister werd aangegeven.

Krachtens artikel 98, § 2, van dezelfde wet, wordt de vordering gegrond op artikel 97 ingesteld op verzoek van de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is, onverminderd de eventuele toepassing van de artikelen 94/3 en 95 op de daarin bedoelde daden.

9. Uit deze bepalingen volgt dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel enkel op verzoek van de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is, het bestaan kan vaststellen en de staking kan bevelen van de inbreuk voorzien door het artikel 97, eerste lid, 4, van de voormelde wet behoudens indien de hierbij aangevoerde feiten mede onder de toepassing vallen van de artikelen 94/3 en 95 van dezelfde wet.

10. De appelrechter die oordeelt dat de door de verweerster ingestelde vordering tot staking reeds gegrond is op basis van de enkele inbreuk op het artikel 97, eerste lid, 4, Handelspraktijkenwet 1991, zodat de overige door de verweerster ontwikkelde middelen niet dienen te worden onderzocht en aldus te kennen geeft dat de verweerster als belanghebbende gerechtigd was een vordering tot staking in te stellen op grond van artikel 97, eerste lid, 4, alleen, schendt de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de door de verweerster ingestelde vordering tot staking en over de kosten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 27 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden