- Arrest van 27 mei 2011

27/05/2011 - C.10.0178.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De korte termijn waarbinnen de verkoper de vrijwaringsvordering op grond van koopvernietigende gebreken dient in te stellen tegen diegene van wie hij de zaak heeft gekocht, begint eerst te lopen vanaf het tijdstip waarop hij zelf door zijn koper in rechte wordt aangesproken (1). (1) Cass. 29 jan. 2004, AR C.01.0491.N, AC, 2004, nr. 52, met concl. van advocaat-generaal met opdracht THIJS.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0178.N

STU-WAHR bvba, met zetel te 2870 Puurs, Gansbroekstraat 24,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. WAYPOINT nv, met zetel te 8370 Blankenberge, Oude Wenduinsesteenweg 8, die woonplaats kiest bij gerechtsdeurwaarder Johan Van Lierde, met kantoor te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 55,

verweerster,

2. UNIGARANT nv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 7901 EH Hoogeveen (Nederland), Schutstraat 120,

in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 oktober 2009.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1648 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

De appelrechter verklaart het principaal hoger beroep van de verweerster toelaatbaar en gegrond, hervormt het bestreden vonnis en zegt dienvolgens voor recht dat de oorspronkelijke tussenvordering in tussenkomst en vrijwaring van de eiseres tegen de verweerster niet toelaatbaar is.

Hij steunt deze beslissing voornamelijk op de volgende motieven:

"V. Beoordeling

1. Hoofdberoep

(De verweerster) beoogt met het hoger beroep de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering in tussenkomst en vrijwaring.

Bij exploot van 19 december 2006 werd (de verweerster) door (de eiseres) gedagvaard. De vordering is gebaseerd op grond van artikel 1641 e.v. Burgerlijk Wetboek.

"...dat het vaartuig Waypoint 34 toen het door hierna gedaagde (de verweerster) verkocht werd aan verzoekster (de eiseres) behept was met verborgen gebreken".

(De verweerster) roept in dat de korte termijn binnen de welke de vordering op grond van artikel 1641 e.v. Burgerlijk Wetboek dient te worden ingesteld overschreden werd.

Volgens artikel 1648 Burgerlijk Wetboek dient de koper zijn vordering op grond van koopvernietigende gebreken in te stellen binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken waar de koop gesloten is.

De korte termijn wordt soeverein beoordeeld door de feitenrechter, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, met name de aard van het verkochte, de aard van het gebrek, de gebruiken en buitengerechtelijke handelingen. Een dagvaarding in kort geding met het oog op de aanstelling van een gerechtsdeskundige schorst of stuit in principe deze termijn niet.

De korte termijn begint in beginsel te lopen vanaf het moment dat de koper het gebrek kende en/of ontdekte. In casu staat vast dat het kwestieuze sportvissersvaartuig twee dagen na het voorval van 29 november 2005 uit het water werd gehaald en werd afgevoerd naar Ruisbroek bij (de eiseres). Eens de boot te Ruisbroek is de verzekeringsexpert D. V. D. A. tussengekomen en ‘(de eiseres) heeft dan mijn lasten overgenomen' aldus de verklaring van mevrouw D'E. ten aanzien van de gerechtsdeskundige. (verslag p. 24, § 6)

Uit de vaststellingen van V. D. A. is gebleken dat de oorzaak van het sinister te maken had met het loskomen van de stuurboordafvoer. Het beweerde gebrek dient als gekend te worden aan[ge]zien door (de eiseres) kort na het sinister, zijnde in de loop van de maand december 2005.

De aard van het gebrek is niet van die aard dat er technisch ingewikkelde onderzoeken dienden te worden uitgevoerd. Het (hof van beroep) heeft geen kennis van onderhandelingen tussen partijen. Integendeel een aanmaning van 23 januari 2006 aan het adres van (de verweerster) bleef onbeantwoord.

De dagvaarding ten gronde werd door (de verweerster) uitgebracht op 19 december 2006, zijnde zowat één jaar na de ontdekking van het gebrek, hetgeen in casu een overschrijding is van de korte termijn.

De vordering ingesteld door (de eiseres) tegen (de verweerster) had niet-toelaatbaar dienen te worden verklaard.

Het hoofdberoep treft "doel". (bestreden eindarrest, pagina 6, tweede alinea tot en met pagina 7, zesde alinea)

Grieven

Krachtens artikel 1648 Burgerlijk Wetboek moet de rechtsvordering op grond van koopnietigende gebreken door de koper worden ingesteld binnen een korte termijn, al naar de aard van de koopnietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop is gesloten.

Wanneer, in geval van opeenvolgende verkoopovereenkomsten, de tussenverkoper door zijn koper wordt aangesproken wegens de levering van een gebrekkige zaak, vangt de korte termijn waarover deze verkoper beschikt om jegens zijn eigen verkoper een vordering in tussenkomst en vrijwaring voor verborgen gebreken in te stellen, pas aan op het ogenblik waarop hij zelf door zijn koper in rechte werd aangesproken.

Te dezen stelde nv Unigarant, in haar hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van de koper, mevrouw D'E., een vordering op grond van de artikelen 1641 e.v. Burgerlijk Wetboek in tegen de eiseres bij dagvaarding van 7 december 2006. (bestreden eindarrest, pagina 2, derde alinea en pagina 5, voorlaatste alinea)

De eiseres stelde op haar beurt een tussenvordering in tussenkomst en vrijwaring in jegens de verweerster, degene van wie zij de zaak heeft gekocht, bij dagvaarding van 19 december 2006, hetzij nauwelijks 12 dagen nadat zij zelf werd gedagvaard. (bestreden eindarrest, pagina 2, vijfde alinea en pagina 5, laatste alinea)

De verweerster wierp op dat de korte termijn waarbinnen de vordering op grond van de artikelen 1641 e.v. Burgerlijk Wetboek dient te worden ingesteld, door de eiseres werd overschreden. (bestreden eindarrest, pagina 6, vijfde alinea)

Uitgaande van de omstandigheid dat kan aangenomen worden dat de eiseres het gebrek reeds kende in de loop van december 2005 en rekening houdende met de weinig complexe aard van het gebrek en met de kennelijke afwezigheid van onderhandelingen tussen partijen, is de appelrechter van oordeel dat de eiseres door in casu pas over te gaan tot dagvaarding van de verweerster op 19 december 2006, zijnde zowat één jaar na de ontdekking van het gebrek, de korte termijn heeft overschreden, zodat die vordering niet-toelaatbaar had dienen te worden verklaard en het hoger beroep van de verweerster doel treft. (bestreden eindarrest, pagina 7, tweede tot en met zesde alinea)

Door aldus aan te nemen dat de termijn waarbinnen de eiseres haar tussenvordering op grond van koopnietigende gebreken diende in te stellen tegen de verweerster, reeds aanving bij de kennisname van het gebrek door de eiseres, gaat de appelrechter er evenwel aan voorbij dat, in geval van opeenvolgende verkoopovereenkomsten, de korte termijn waarbinnen de vrijwaringsvordering door de tussenverkoper, zoals de eiseres, moet worden ingesteld, pas begint te lopen vanaf het tijdstip dat deze zelf door zijn koper in rechte wordt aangesproken.

In zoverre de appelrechter derhalve het aanvangspunt van de korte termijn waarover de eiseres beschikte om haar vrijwaringsvordering op grond van de artikelen 1641 e.v. Burgerlijk Wetboek in te stellen tegen de verweerster van wie zij de zaak kocht, bepaalt op het ogenblik van de ontdekking van het gebrek door de eiseres zonder hierbij enigszins acht te slaan op het tijdstip waarop zij zelf in rechte werd aangesproken door nv Unigrant, als gesubrogeerde in de rechten van haar koper, stelt hij dan ook de overschrijding van de korte termijn niet wettelijk vast, zodat de beslissingen dat die tussenvordering niet-toelaatbaar had dienen te worden verklaard en dat het hoger beroep van de verweerster gegrond is, evenmin naar recht verantwoord zijn. (schending van artikel 1648 Burgerlijk Wetboek)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1648 Burgerlijk Wetboek moet de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken door de koper worden ingesteld binnen een korte termijn, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop is gesloten.

2. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de rechtsvordering van de verkoper tegen diegene van wie hij de zaak heeft gekocht.

De korte termijn waarbinnen de verkoper de vrijwaringsvordering moet instellen, begint eerst te lopen vanaf het tijdstip waarop hij zelf door zijn koper in rechte wordt aangesproken.

3. De appelrechter stelt vast dat:

- de eiseres op 7 december 2006 werd gedagvaard door de in bindendverklaring opgeroepen partij in betaling van het bedrag dat deze laatste als gesubrogeerd casco-verzekeraar had betaald aan de eigenares van de vissersboot, die deze boot van de eiseres had gekocht;

- de eiseres op 19 december 2006 op haar beurt haar verkoopster, de verweerster, in vrijwaring dagvaardde op grond van de artikelen 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek.

Hij oordeelt vervolgens dat de vordering in vrijwaring van de eiseres tegen de verweerster niet-toelaatbaar dient te worden verklaard, omdat die werd ingesteld zowat een jaar na de ontdekking van het gebrek, hetgeen een overschrijding van de korte termijn waarvan sprake in het artikel 1648 Burgerlijk Wetboek inhoudt.

4. Door aldus te oordelen schendt de appelrechter artikel 1648 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering in vrijwaring van de eiseres tegen de verweerster en over de kosten.

Verklaart het arrest bindend voor de in bindendverklaring opgeroepen partij.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 27 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Koopvernietigende gebreken

  • Rechtsvordering van de verkoper

  • Termijn waarbinnen de vrijwaringsvordering moet worden ingesteld

  • Aanvang