- Arrest van 27 mei 2011

27/05/2011 - C.10.0286.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer voor het Hof de vraag rijst of, mede in acht genomen onder meer de Europese regelgeving inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het in artikel 33.1 van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de in een lidstaat gegeven beslissingen zonder vorm van proces worden erkend in de overige lidstaten, de artikelen 1 en 17 van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken aldus moeten worden uitgelegd dat de rechter die een gerechtelijk deskundigenonderzoek beveelt waarvan de opdracht deels in het land van deze lidstaat waartoe de rechter behoort, maar ook deels in een andere lidstaat dient te worden uitgevoerd, voor de rechtstreekse uitvoering van dit laatste deel alleen en dus exclusief gebruik moet maken van de door laatstgenoemde verordening in het leven geroepen methode bedoeld in artikel 17, dan wel of de door dat land aangestelde gerechtsdeskundige ook buiten de bepalingen van laatstgenoemde verordening kan belast worden met een onderzoek dat gedeeltelijk in een andere lidstaat van de Europese Unie moet worden uitgevoerd, stelt het een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0286.N

PRORAIL bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3511 EP Utrecht (Nederland), Moreelsepark 3,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. XPEDYS nv, met zetel te 1070 Anderlecht, Tweestationsstraat 80,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de verweerster woonplaats kiest,

2. FAG KUGELFISCHER GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 97421 Schweifurt (Duitsland), Georg Schäferstrasse 30,

verweerster,

3. DB SCHENKER RAIL NEDERLAND nv, met zetel te 3500 GB Utrecht (Nederland), Moreelsepark 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de verweerster woonplaats kiest.

4. NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOOR¬WE¬GEN nv, met zetel te 1060 Brussel, Hallepoortlaan 40,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 januari 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. FEITELIJKE GEGEVENS

De eiseres is een vennootschap naar Nederlands recht. Ze beheert de hoofdspoorwegen in Nederland. In die hoedanigheid sluit ze toegangsovereenkomsten af met spoorwegondernemingen waaronder de derde verweerster.

De derde verweerster is een private spoorwegvervoerder. Haar wagenpark bestaat uit 100 wagons die zij krachtens een overeenkomst van 9 juli 2001 oorspronkelijk huurde van de vierde verweerster, een naamloze vennootschap van publiek recht.

De eerste en de vierde verweerster voerden aan dat de eerste verweerster op 1 mei 2008 de hoedanigheid van verhuurder van de wagons heeft overgenomen.

De tweede verweerster is een professionele constructeur van onderdelen van wagons zoals assen, aslagers, aspotten en lagerhuizen van assen.

Op 22 november 2008 ontspoorde te Amsterdam een goederentrein onderweg van België naar Beverwijk (Nederland). De trein bestond uit een locomotief en 25 wagons geladen met kalk.

Op 11 februari 2009 dagvaardde de derde verweerster de eerste en vierde verweersters, in hun hoedanigheid van verhuurders van een deel van de wagons die betrokken waren in voormeld ongeval, en dit voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel, zetelend in kort geding.

De vordering beoogde de aanstelling van een gerechtsdeskundige.

De eiseres kwam in deze procedure vrijwillig tussenbeide en verzocht de vordering tot aanstelling van een deskundige ongegrond te verklaren en in ondergeschikte orde:

- de opdracht van de aan te stellen Belgische deskundige te beperken tot de vaststelling van de schade aan de wagons;

- in geen geval een onderzoek te gelasten naar het hele Nederlandse spoorwegnet en spoorweginfrastructuur, en evenmin de deskundige te gelasten een afrekening op te stellen tussen de partijen;

- in zover een deskundige zou aangesteld worden, te bevelen dat zijn werkzaamheden zouden geschieden volgens de bepalingen van de verordening (EG) 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, wat alleen via de rechtbank kan gebeuren.

Op 9 maart 2009 dagvaardde de eerste verweerster de eiseres en de tweede verweerster in tussenkomst en gemeenverklaring.

De beroepen beschikking van 5 mei 2009 verklaarde de vordering gegrond en stelde prof. W. G. aan als deskundige met als opdracht:

- na de partijen, hun technische en juridische raadslieden, tijdig en met behulp van de snelste communicatiemiddelen te hebben uitgenodigd om zijn werkzaamheden bij te wonen, zich naar de plaats van het ongeval te Nederland, op het spoorwegnet tussen station Amsterdam Muiderpoort en Amsterdam Centraal, en op alle plaatsen waar hij nuttige vaststellingen kan verrichten, te begeven;

- tot plaatsopname over te gaan, na onderzoek zijn advies te geven over de oorzaken en omstandigheden van het ongeval van 22 november 2008 op het spoorwegnet nabij Amsterdam, de staat alsmede de schade te beschrijven aan de acht in het ongeval van 22 november 2008 betrokken wagons, alsmede van de onderstellen, assen, aspotten en aslagers van die wagons, de omvang ervan te begroten, alsmede de nodige of nuttige herstelwerken te beschrijven en, zo herstelling niet mogelijk is, de minwaarde van alle beschadigde wagons en onderdelen te bepalen, evenals de gebruiksderving;

- te onderzoeken wie de fabrikant is van de beschadigde rollagers, met bepaling van type en identificatienummer;

- de lagerringen, cilinders te onderzoeken om de graad van slijtage, ondergane lasten en veranderingen aan de staalstructuur te bepalen;

- de aanwezigheid van alle vreemde stoffen of onzuiverheden, vetten en bestanden in de rollagers te beschrijven;

- de breuk en opwarmingsverschijnselen van de rollagers componenten metaalgrafisch te onderzoeken;

- de wijze van lading van de wagons en de werkelijke last per as te onderzoeken;

- in het kader van voormeld onderzoek eveneens het door de eiseres beheerde spoorwegnet en spoorweginfrastructuur te beschrijven en te onderzoeken, hierin beschreven het hotbox-systeem en het Quo Vadis-systeem, en zijn advies te geven of, en zo ja, in welke mate deze infrastructuur mede aan de oorsprong van het ongeval van 22 november 2008 ligt.

Op 26 juni 2009 breidde de voorzitter van de rechtbank van koophandel, zetelend in kort geding, die opdracht uit.

Op 26 maart 2009 startte de eiseres tegen de eerste en de derde verweerster een procedure ten gronde voor de rechtbank te Utrecht. Haar vordering strekte ertoe de beide verweersters aansprakelijk te horen verklaren voor de schade aan haar spoorwegnet.

De eiseres kwam in hoger beroep van de beschikking in kort geding van 5 mei 2009. Dit hoger beroep beoogde:

- de vordering tot aanstelling van een deskundige ongegrond te verklaren;

- in ondergeschikte orde, de opdracht van de Belgische deskundige te beperken tot de vaststelling van de schade aan de wagons, in zover dergelijk onderzoek in België kan uitgevoerd worden;

- in geen geval een onderzoek toe te laten van het hele Nederlandse spoorwegnet en spoorweginfrastructuur, en evenmin de deskundige te gelasten een "afrekening" op te stellen tussen de partijen;

- voor zover het hof de aanstelling van een deskundige zou bevestigen, te bevelen dat zijn werkzaamheden volgens de bepalingen van de verordening EG nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken dient te worden verricht, en met andere woorden om alle werkzaamheden uit te voeren in Nederland enkel via het hof, en conform de procedure voorzien in de voormelde verordening.

Het bestreden arrest verklaarde dit hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. Het veroordeelt de eiseres tot de kosten.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1 en 17 van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken;

- artikel 31 van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

- het algemeen rechtsbeginsel van internationaal publiek recht inzake de soevereiniteit van de staten.

Aangevochten beslissing

De appelrechter verklaart het hoger beroep van eiseres ontvankelijk doch ongegrond, bevestigt dienvolgens de beschikking die op 5 mei 2009 werd gewezen door de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel, zetelend in kort geding waarbij deskundige W. G. werd aangesteld als deskundige met de opdracht zich naar Nederland te begeven op de plaats van het ongeval, op het spoorwegnet tussen station Amsterdam Muiderpoort en Amsterdam Centraal en op alle plaatsen waar hij nuttige vaststellingen kan doen, tot plaatsopname over te gaan en na onderzoek zijn advies te geven over de oorzaak van het ongeval, en tevens het door eiseres beheerde spoorwegnet en spoorwegnetinfrastructuur te beschrijven en te onderzoeken en zijn advies te geven of, en zo ja, in welke mate deze infrastructuur mede aan de oorsprong ligt van het ongeval, en veroordeelt eiseres in de kosten van de beroepsprocedure. De appelrechter verwerpt daarbij het verweermiddel dat door eiseres was aangevoerd en waarin werd betoogd dat de Belgische rechter niet over de nodige rechtsmacht beschikte om aan de aangestelde deskundige de opdracht te geven het spoorwegnet beheerd door eiseres in Nederland te onderzoeken alsook het verweermiddel waarin werd aangevoerd dat een deskundige niet kan belast worden met een onderzoek in Nederland anders dan via de toepassing van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 en wel op de volgende gronden:

"De door [eiseres] ingeroepen Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke zaken en handelszaken.

12. Artikel 1 van de voormelde Verordening bepaalt het volgende:

‘Werkingssfeer

1. De verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lidstaat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die staat:

a) het bevoegde gerecht van een andere lidstaat verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten;

of

b) verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten.'

In casu is er geen sprake van één van de hypotheses bepaald in artikel 1 van de door [eiseres] ingeroepen Verordening. Deze Verordening is in casu niet van toepassing en niet ter zake dienend. [Eiseres] kan in casu geen nuttig middel of argument uit deze Verordening putten om haar bewering, volgens dewelke de eerste rechter niet over de nodige rechtsmacht beschikte om de bestreden onderzoeksmaatregel te bevelen, te onderbouwen.

In strijd met hetgeen [eiseres] aanvoert, heeft de eerste rechter de door [eiseres] bestreden onderzoeksmaatregel rechtgeldig bevolen. De bewering van [eiseres] dat zij daarvoor niet over de nodige rechtsmacht beschikte, is ongegrond." (bestreden arrest, blz. 11-12)

"De opdracht die aan de gerechtsdeskundige G. toevertrouwd werd bij de bestreden beschikking dd. 5 mei 2009.

13. [Eiseres] uit bezwaren tegen de opdracht van de deskundige zoals hij werd gevorderd en omschreven.

14. De bewering van [eiseres] dat een deskundige niet kan belast worden met een onderzoek in Nederland, anders dan via de toepassing van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke zaken en handelszaken, is ongegrond. Het [Hof van Beroep] verwijst dienaangaande naar hetgeen uiteengezet werd onder randnummer 11 van dit arrest.

15. De opdracht van de gerechtsdeskundige houdt krachtens de bestreden beschikking onder meer in:

- in het kader van het bevolen en omschreven onderzoek eveneens het door [eiseres] beheerde spoorwegnet en spoorweginfrastructuur te beschrijven en te onderzoeken, hierin beschreven het hotbox-systeem en het Quo Vadis-systeem, en zijn advies te geven of, en zo ja, in welke mate deze infrastructuur mede aan de oorsprong van het ongeval van 22 november 2008 ligt.

Terecht laat [eerste verweerster] gelden dat de opdracht van de deskundige zoals geformuleerd in de bestreden beschikking geen vrijgeleide inhoudt voor de aangestelde deskundige om zonder meer het gehele Nederlandse spoorwegnet en de hele Nederlandse spoorweginfrastructuur te onderzoeken, zonder dat daarbij enige relatie zou bestaan met het ongeval dd. 22 november 2008. Het geciteerde onderdeel van de opdracht van de gerechtsdeskundige dient gelezen te worden samen met de overige bepalingen van de omschrijving van die opdracht.

Het bezwaar van [eiseres] tegen voormeld onderdeel van de opdracht van deskundige is zodoende ongegrond."(bestreden arrest, blz. 14-15)

Grieven

De eerste rechter heeft bij zijn beschikking van 5 mei 2009, welke beschikking door het bestreden arrest wordt bevestigd, een deskundige aangesteld met de opdracht onder meer:

"- zich ter plaatse te begeven op de plaats van het ongeval te Nederland, op het spoorwegnet tussen station Amsterdam Muiderpoort en Amsterdam Centraal en op alle plaatsen waar hij nuttige vaststellingen kan verrichten;

- tot plaatsopname over te gaan, na onderzoek zijn advies te geven over de oorzaken en omstandigheden van het ongeval van 22 november 2008 op het spoorwegnet nabij Amsterdam;

- in het kader van voormeld onderzoek eveneens het door [eiseres] beheerde spoorwegnet en spoorwegnetinfrastructuur te beschrijven en te onderzoeken, hierin beschreven het hotbox-systeem en het Quo Vadis-systeem, en zijn advies te geven of/en, zo ja, in welke mate deze infrastructuur mede aan de oorsprong van het ongeval van 22.11.2008 ligt."

Uit deze omschrijving van de opdracht toegekend aan de deskundige blijkt dat het grootste deel van de hem verleende opdracht diende te worden uitgevoerd in Nederland.

Het internationaal erkende algemene rechtsbeginsel inzake de soevereiniteit van de staten houdt in dat een staat over de exclusieve bevoegdheid beschikt om op haar grondgebied tot dwanguitvoering over te gaan. Dit beginsel houdt ook in dat, wanneer het te onderzoeken bewijsmaterieel zich bevindt in een andere staat dan die van de rechtbank die over de grond van de zaak moet oordelen, de eerbiediging van dit beginsel en de belangen van die vreemde staat in principe de bovenhand moeten krijgen.

Overeenkomstig artikel 1 van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 is deze Verordening van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lidstaat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die staat verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten. Luidens artikel 17, 1e lid van dezelfde Verordening dient, wanneer een gerecht verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een ander lidstaat te mogen verrichten, het daartoe met gebruikmaking van formulier I in de bijlage een verzoek in bij het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van die staat, bedoeld in artikel 3, lid 3 en overeenkomstig het tweede lid van ditzelfde artikel 17 kan een handeling tot het verkrijgen van bewijs alleen rechtstreeks worden verricht indien zij vrijwillig en zonder dwangmaatregelen kan worden uitgevoerd. Uit de samenlezing van deze bepalingen van deze Verordening blijkt derhalve ondubbelzinnig dat wanneer een onderzoeksmaatregel, zoals een deskundig onderzoek, in Nederland dient te worden uitgevoerd, de voorafgaande toelating dient te worden gevraagd van de Nederlandse staat overeenkomstig artikel 17 van deze Verordening en dat dit vereiste van voorafgaande toelating ook geldt wanneer het gaat om een maatregel tot het verkrijgen van bewijs die vrijwillig en zonder dwangmaatregelen kan worden uitgevoerd.

Dit vereiste van de voorafgaande toelating van de lidstaat waarin de onderzoeksmaatregel dient te worden uitgevoerd, vloeit ook voort uit artikel 31 van de Bevoegdheidsverordening. Luidens die bepaling kunnen in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregel bij de gerechten van die staat worden aangevraagd zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze Verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Hieruit vloeit voort dat de bevoegdheid tot het bevelen van deskundigenonderzoeken enkel toebehoort aan de rechtbanken van de plaats waar deze maatregel dient te worden uitgevoerd en dat a contrario een dergelijke maatregel geen extraterritoriaal effect heeft behoudens toelating van de staat waarin deze onderzoeksmaatregel dient te worden uitgevoerd.

Door te oordelen dat de Verordening (EG) nr. 1206/2001 in casu niet van toepassing is en niet terzake dienend is en dat eiseres in casu geen nuttig middel of argument kan putten uit deze Verordening om haar bewering volgens dewelke de eerste rechter niet over de nodige rechtsmacht beschikte om de bestreden onderzoeksmaatregel te bevelen, te onderbouwen en dat de bewering van eiseres dat de eerste rechter daarvoor niet over de nodige rechtsmacht beschikte ongegrond is en door verder te oordelen dat de bewering van eiseres dat een deskundige niet kan belast worden met een onderzoek in Nederland, anders dan via de toepassing van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten en de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke zaken en in handelszaken ongegrond is, schendt de appelrechter dan ook de artikelen 1 en 17, 1e en 2e lid, van de Verordening nr. 1206/2001 van 28 mei 2001, alsook het rechtsbeginsel van internationaal publiekrecht inzake de soevereiniteit van de staten en voor zoveel als nodig ook artikel 31 van de Bevoegdheidsverordening.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 1, lid 1, van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken bepaalt dat zij van toepassing is in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lid-staat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die staat:

a) het bevoegde gerecht van een andere lidstaat verzoekt, een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten;

of b) verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten.

Artikel 17 van dezelfde verordening dat de rechtstreekse bewijsverkrijging door het verzoekende gerecht regelt, bepaalt in lid 1 dat, wanneer een gerecht verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten, het daartoe met gebruikmaking van formulier I in de bijlage een verzoek indient bij het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van die staat, bedoeld in artikel 3, lid 3.

Artikel 17, lid 3, van die verordening bepaalt dat de handeling tot het verkrijgen van bewijs wordt verricht door een rechterlijk ambtenaar of door een andere persoon, zoals een deskundige, die overeenkomstig de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht wordt aangewezen.

2. Een uitlegging van voormelde artikelen, waarvoor het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is, is te dezen noodzakelijk voor de te wijzen beslissing.

3. De vraag rijst meer bepaald of, mede in acht genomen de Europese regelgeving inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het in artikel 33.1 EEX-Vo tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de in een lidstaat gegeven beslissingen zonder vorm van proces worden erkend in de overige lidstaten, de artikelen 1 en 17 van die verordening aldus worden uitgelegd dat de rechter die een gerechtelijk deskundigenonderzoek beveelt waarvan de opdracht deels in het land van deze lidstaat waartoe de rechter behoort, maar ook deels in een andere lidstaat dient te worden uitgevoerd, voor de rechtstreekse uitvoering van dit laatste deel alleen en dus exclusief gebruik moet maken van de door die verordening in het leven geroepen methode van artikel 17, dan wel of de door dat land aangestelde gerechtsdeskundige ook buiten de bepalingen van die verordening kan belast worden met een onderzoek in een andere lidstaat van de Europese Unie.

Dictum

Het Hof,

Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie over de hierna volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan:

"Moeten de artikelen 1 en 17 van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, mede in acht genomen onder meer de Europese regelgeving inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het in artikel 33.1 EEX-Vo tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de in een lidstaat gegeven beslissingen zonder vorm van proces worden erkend in de overige lidstaten, aldus worden uitgelegd dat de rechter die een gerechtelijk deskundigenonderzoek beveelt waarvan de opdracht deels in het land van de lidstaat waartoe de rechter behoort, maar ook deels in een andere lidstaat dient te worden uitgevoerd, voor de rechtstreekse uitvoering van dit laatste deel alleen en dus exclusief gebruik moet maken van de door voormelde verordening in het leven geroepen methode bedoeld in artikel 17, dan wel of de door dat land aangestelde gerechtsdeskundige ook buiten de bepalingen van de verordening nr. 1206/2001 kan belast worden met een onderzoek dat gedeeltelijk in een andere lidstaat van de Europese Unie moet worden uitgevoerd?"

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 27 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Burgerlijke zaken

  • Europese Unie

  • Uitvoering gedeeltelijk in andere lidstaat

  • Opdracht van de rechter

  • Procedure