- Arrest van 30 mei 2011

30/05/2011 - C.10.0625.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een administratieve overheid wanneer de wet de kennisname van het geschil aan de hoven en rechtbanken heeft toegewezen (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0625.F

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. E. D., advocaat, in de hoedanigheid van curator van het faillissement van de D.A.G. Entreprise nv,

2. D.A.G. ENTREPRISE nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 september 2010 gewezen door de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak.

Op 16 maart 2011 heeft advocaat-generaal Ria Mortier een conclusie ter griffie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Ria Mortier werd gehoord in haar conclusie.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 144 en 145 van de Grondwet;

- het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, vastgelegd in de artikelen 33, 36, 37 en 40 van de Grondwet;

- de artikelen 7, 14, §1, 1°, en 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973;

- de artikelen 8, 556 en 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 28, meer bepaald § 3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zowel voor als na de herziening ervan door artikel 81 van de programmawet van 27 december 2005;

- de artikelen 34 en 55, § 1 en § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de voornoemde wet van 27 juni 1969 , artikel 55, § 1, gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 juli 2000 en artikel 55, § 2, zowel voor als na de herziening ervan door artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 januari 2009.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de Raad van State zonder rechtsmacht om kennis te nemen van het beroep van de verweerster tegen eisers beslissing om de kwijtschelding te weigeren van 50 pct. van de bijdrageopslagen op het bedrag van de aan de [Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] verschuldigde sociale bijdragen, op grond dat:

"De verzoekende partij is een naamloze vennootschap waarvan het doel inzonderheid bestaat in ‘algemene bouwondernemingsactiviteiten, van fundering tot afwerking, met eigen middelen of via coördinatie van onderaannemers'.

Op 17 maart 2009, heeft ze het volgende geschreven aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid:

‘Wij verzoeken u om vrijstelling van 50 pct. van de opslagen aangerekend op het bedrag dat we uw instelling schuldig zijn. Wij wijzen erop dat onze liquiditeitsproblemen het gevolg zijn van achterstallige betalingen van sommige cliënten';

Op 18 maart 2009, heeft [de RSZ] het volgende geantwoord [aan de verweerster]:

‘Betreft: verzoek om vrijstelling van burgerlijke sancties

(...) Als antwoord op uw voornoemde brief wijzen wij u erop dat een vermindering van burgerlijke sancties krachtens de bepalingen van artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 slechts overwogen kan worden nadat alle vervallen socialezekerheidsbijdragen betaald zijn.

Aangezien u op 13 maart 2009 [de RSZ] nog 58.295,00 euro aan bijdragen verschuldigd blijft, het vierde kwartaal van 2008 meegerekend, kunnen wij uw verzoek thans niet behandelen' (...);

Volgens [de RSZ] heeft [de verweerster] ‘de bedragen die ze in hoofdsom schuldig was' betaald;

Op 13 mei 2009, heeft [de RSZ] [de verweerster] het volgende geschreven [...]:

‘Betreft: uw verzoek om vrijstelling.

Mevrouw, Mijnheer,

Wij hebben uw brief van 27 april goed ontvangen.

Artikel 28, § 3, van de wet van 27 juni 1969 [tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders] bepaalt dat de Koning "de voorwaarden bepaalt waaronder het inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen de werkgever vrijstelling of vermindering mag verlenen van de vaste vergoeding, de bijdrageopslag en de verwijlinterest, voor zover de werkgever zich niet in een van de in artikel 38, § 3octies, eerste lid, van de voornoemde wet van 29 juni 1981 [houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers] beschreven situaties bevindt.

Die voorwaarden zijn met name vastgelegd in artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, luidende:

"Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen en de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald, behalve wanneer de vrij te stellen periode bijdragen betreft die vervallen in de eerste drie kwartalen 2009 en die het voorwerp uitmaken van betalingstermijnen toegestaan bij toepassing van artikel 43octies en volgende van dit besluit".

De vrijstelling kan evenwel niet worden toegekend, zoals uitdrukkelijk bepaald in het voornoemde artikel 28, § 3, wanneer de werkgever zich in één van de situaties bevindt beschreven in artikel 38, § 3octies, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981, dat luidt als volgt:

"De werkgever mag zich niet in één van volgende situaties bevinden:

[...] 8. Indien het om een rechtspersoon gaat, onder de bestuurders, zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te verbinden, personen tellen die betrokken waren bij minstens twee faillissementen, vereffeningen of gelijkaardige operaties met schulden ten aanzien van een inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen".

Uw vennootschap bevindt zich in de achtste situatie';

De bestreden beslissing is genomen met verwijzing naar de artikelen 28, § 3, 29, tweede lid, en 29bis, § 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die bepalen dat de RSZ in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de voornoemde wet van 27 juni 1969 vrijstelling of vermindering kan toekennen van burgerlijke sancties opgelegd aan werkgevers die nalaten aan de Rijksdienst hun bijdragen te betalen;

Zoals blijkt uit het arrest nr. 201.261 van 24 februari 2010, uitgesproken door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, is de beslissing van de RSZ inzake vrijstelling of vermindering van bijdrageopslagen en verwijlinteresten een onderdeel van de ruimere problematiek van de verplichtingen van werkgevers inzake het betalen van bijdragen, zodat, ook al gaat het om een discretionaire beslissing, de betwisting daarvan door de werkgever verband houdt met het verzoek van de RSZ om achterstallige bijdragen te betalen en onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank valt, en niet onder die van de Raad van State; om die redenen geconcludeerd moet worden dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige beroep; uit de brief van 17 maart 2009 blijkt dat de verzoekende partij van plan was zich te beroepen op de tweede paragraaf van artikel 55 van het voornoemde koninklijk besluit van 28 november 1969; ze verzoekt de RSZ daarin immers om "vrijstelling van 50% van de opslagen aangerekend op het bedrag" verschuldigd aan de RSZ, wat de verwerende partij geweigerd heeft; de Raad van State is niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep".

Grieven

Bevoegdheid is de macht van de rechter om kennis te nemen van een vordering die voor hem is gebracht (artikel 8 van het Gerechtelijk Wetboek). De hoven en rechtbanken nemen kennis van alle vorderingen, behalve van die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt (artikel 556, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Krachtens artikel 144 van de Grondwet, behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Hetzelfde geldt voor de politieke rechten, behoudens bij wet gestelde uitzonderingen (artikel 145 van de Grondwet).

Overeenkomstig artikel 14, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel 7) uitspraak bij wijze van arresten over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

De bevoegdheid van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, moet bepaald worden aan de hand van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het verzoek tot nietigverklaring.

Wanneer het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring ertoe strekt het bestaan van een subjectief, burgerlijk of politiek recht te doen vastleggen of de eerbiediging van een dergelijk recht te doen naleven, dan zijn enkel de rechtbanken van de rechterlijke orde bevoegd.

Wanneer daarentegen objectieve wettelijke criteria ontbreken die de administratieve overheid verplichten om een dergelijke beslissing te nemen, dan beschikt die overheid over een discretionaire bevoegdheid in haar beoordeling van de te nemen beslissing en kan de betrokkene, ten aanzien van wie deze beslissing wordt genomen, zich niet beroepen op een voor de rechtbanken van de rechterlijke orde afdwingbaar recht dat de administratieve overheid hem heeft geweigerd of nagelaten toe te kennen.

Tegen die beslissing staat uitsluitend een beroep tot nietigverklaring open bij de Raad van State overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Artikel 28, § 1, van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders stelt dat de werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, aan [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] socialezekerheidsbijdragen en een bijdrageopslag en een verwijlinterest verschuldigd is.

Paragraaf 3 van voornoemd artikel 28 vermeldt eveneens dat de Koning ook de voorwaarden bepaalt waaronder [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] de werkgever vrijstelling of vermindering "mag" verlenen van de vaste vergoeding, de bijdrageopslag en de verwijlinterest, voor zover de werkgever zich niet in een van de in artikel 38, § 3octies, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 beschreven situaties bevindt.

Artikel 55, § 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 bepaalt ter zake dat [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid], onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, "mag" afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintrest, bedoeld bij artikel 34, eerste lid.

Paragraaf 2 van dat artikel 55 voegt eraan toe dat onder dezelfde omstandigheden en voor zover de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] het bedrag van de bijdrageopslagen of de vaste vergoeding met ten hoogste 50 pct. "mag" verminderen.

Uit die bepalingen volgt dat wanneer de voorwaarden (voor een opheffing of vermindering van de bijdrageopslagen) bedoeld in artikel 28, § 3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en artikel 55, § 1 en § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 vervuld zijn, [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] kan maar niet moet afzien van het opeisen van de bijdrageopslagen en de verwijlinterest.

De rechter kan [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] niet verplichten hiervan af te zien omdat die dienst dienaangaande over een discretionaire bevoegdheid beschikt en de werkgever bijgevolg geen subjectief recht kan laten gelden op een vrijstelling of vermindering van de bijdrageopslagen.

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten staat het niet aan de rechterlijke macht om de opportuniteit van een administratieve beslissing te beoordelen en in de plaats te treden van het bestuur bij de uitoefening van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van die overheid.

De bevoegdheid door artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek aan de arbeidsrechtbank verleend om uitspraak te doen over de geschillen betreffende de werkgeversverplichting voor de door de wetgeving inzake sociale zekerheid bepaalde betaling van de bijdragen, houdt geen verband met de discretionaire bevoegdheid van [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] om te beslissen over een vermindering of vrijstelling van de bijdragenopslagen en verwijlintrest die verschuldigd zijn wegens niet-betaling of laattijdige betaling van de sociale bijdragen.

Volgens de bewoordingen zelf van artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, is de arbeidsrechtbank bevoegd om uitspraak te doen over de verplichtingen van de werkgever inzake sociale zekerheid.

Zij is bijgevolg niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep dat is ingesteld tegen de discretionaire beslissing van [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] om al dan niet af te zien van de door de werkgever verschuldigde bijdrageopslagen en verwijlinterest.

Met andere woorden: de arbeidsrechtbank is bevoegd om uitspraak te doen over de verplichting van de werkgever inzake sociale zekerheid, maar niet over de beslissing van [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] om de vermindering te weigeren van de door de werkgever verschuldigde som om reden dat hij zijn verplichting tot het tijdig storten van de sociale bijdragen niet tijdig is nagekomen.

Het loutere feit dat de beslissing van [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] om de bijdrageopslagen en de verwijlinterest niet te verminderen een aspect betreft van de verplichtingen van de werkgever om de sociale bijdragen te betalen en van het recht van de eiser om niet-betaalde achterstallige bijdragen op te eisen is niet pertinent.

De verplichting van de werkgever om de sociale bijdragen te betalen is hier niet aan de orde maar wel de vermindering van de bijdrageopslagen die verschuldigd zijn door een vertraging in de betaling ervan. [De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid] beschikt wat dat betreft over een discretionaire bevoegdheid aangezien de werkgever daarop geen enkel subjectief recht kan laten gelden.

Zoals reeds gezegd, is alleen de Raad van State bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring wegens machtsoverschrijding of -afwending van een door een administratieve overheid genomen beslissing.

Ook indien de beslissing van de eiser de verplichtingen zou betreffen van de werkgever inzake betaling van sociale bijdragen - quod non - is de arbeidsrechtbank niet bevoegd om krachtens artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek de discretionaire beslissing van de eiser te vernietigen om vermindering te weigeren van de bijdrageopslagen en verwijlinterest die de werkgever moet betalen omdat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen, vermits die bevoegdheid, zoals hierboven is gezegd, toekomt aan de Raad van State (artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973).

Hieruit volgt dat de beslissing waarbij de Raad van State zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring van verweerster gericht tegen de beslissing van de eiser van 13 mei 2009 die weigert haar de vermindering van de kwestieuze bijdrageopslagen en/of verwijlinteresten toe te kennen, op grond dat "de beslissing (van de eiser) een element is van de ruimere problematiek van de verplichtingen van werkgevers inzake betaling van bijdragen", om voorvermelde redenen niet naar recht is verantwoord (schending van alle wettelijke bepalingen bedoeld in de aanhef van het middel en meer bepaald van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, artikel 14, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 28, meer bepaald § 3, van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en artikel 55, § 1 en § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de voornoemde wet van 27 juni 1969).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een administratieve overheid, wanneer de wet de kennisname van het geschil aan de hoven en rechtbanken heeft toegewezen.

Volgens artikel 28, § 1 en § 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders is de werkgever die de bijdragen of de voorschotten niet binnen de voorgeschreven termijn stort bijdrageopslagen , verwijlinterest of een vaste vergoeding verschuldigd aan het inningsorganisme.

Krachtens artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 dat uitwerking verleent aan de door artikel 28, § 3, van de wet aan de Koning verleende machtiging, mag de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in bepaalde omstandigheden het bedrag van de bijdrageopslagen, verwijlinterest of vaste vergoeding verminderen.

Wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de vermindering weigert en de werkgever die weigering betwist, dan onstaat er tussen die laatste en de Dienst een geschil omtrent de verplichting tot het betalen van de opslagen, verwijlinterest of vaste vergoedingen.

Krachtens artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek valt dat geschil onder de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en, bijgevolg, onder de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken.

De omstandigheid dat de aangevochten beslissing behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft geen invloed noch op de attributie van het geschil aan de rechtscolleges van de rechterlijke macht, noch op de bevoegdheid, binnen deze rechtscolleges, van de arbeidsrechtbank. De vraag naar de omvang van de controle die de rechter kan uitoefenen heeft overigens geen uitstaans met de vaststelling van zijn bevoegdheid.

Door te beslissen dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het beroep van de verweerster, de thans gefailleerde werkgever, tegen de beslissing van de eiser om haar op grond van artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 de vermindering te weigeren van de opslagen, verwijlinterest of vaste vergoedingen, schendt het arrest geen enkele van de aangevoerde bepalingen en miskent het het in het middel ingeroepen algemeen rechtsbeginsel niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof, verenigde kamers,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, te Brussel, door eerste voorzitter Ghislain Londers, voorzitter Christian Storck, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Paul Mathieu, de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Christine Matray, Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 30 mei 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen.

De hoofdgriffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechtsmacht

  • Geschil bij wet toegewezen aan de hoven en rechtbanken