- Arrest van 30 mei 2011

30/05/2011 - C.09.0499.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De werkgever in de overheidssector die ingevolge de fout van een derde, krachtens de op hem rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen, de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, is gerechtigd op schadevergoeding voor zover hij hierdoor schade lijdt, nu het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting immers niet uitsluit dat schade, in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten (1). (1) Zie de (deels andersluidende) conclusie van het openbaar ministerie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0499.N

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 211,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 29 oktober 2008.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 7 april 2011 verwezen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 14 juni 2010 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft ter terechtzitting mondeling geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt op dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het opkomt tegen een feitelijke beoordeling van de appelrechters met betrekking tot de omvang van de schade.

2. De rechter beoordeelt in feite het bestaan en de omvang van de schade die door een onrechtmatige daad is veroorzaakt, alsook het bedrag van de schadeloosstelling waarop de schadelijder recht heeft. Het Hof gaat evenwel na of de rechter het rechtsbegrip schade en het beginsel van het integrale schadeherstel niet miskent.

De grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel dient te worden verworpen.

Het onderdeel zelf

3. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld.

4. De werkgever in de overheidssector die ingevolge de fout van een derde, krachtens de op hem rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen, de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, is gerechtigd op schadevergoeding voor zover hij hierdoor schade lijdt.

Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit immers niet uit dat schade, in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.

5. Het recht op vergoeding van de werkgever voor de schade die hij lijdt ingevolge de arbeidsongeschiktheid van zijn personeelslid, is niet beperkt tot het bedrag van de vergoeding die aan het slachtoffer zelf verschuldigd zou zijn voor de naar gemeen recht vastgestelde arbeidsongeschiktheid.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in conclusie voor de appelrechter in ondergeschikte orde aanvoerde dat, indien de appelrechter van oordeel zou zijn dat de vordering van de eiser niet uitgebreider kan zijn dan het wettelijk subrogatierecht, de vordering van de eiser dient beperkt te worden in functie van de vergoeding waarop het slachtoffer recht zou hebben krachtens het gemeen recht, namelijk tot een bedrag van 44.151,53 euro, berekend volgens de periodes en percentages van tijdelijke arbeidsongeschiktheid door de deskundigen vastgesteld naar gemeen recht.

7. De appelrechter stelt vast dat:

- een personeelslid van de eiser op 18 januari 1991 ernstig gekwetst werd bij een verkeersongeval, tevens een arbeidsongeval, waarvoor de verzekerde van de verweerster volledig aansprakelijk werd verklaard;

- de eiser terugbetaling vordert van de wedde die hij in hoedanigheid van werkgever heeft uitbetaald aan het slachtoffer vanaf 19 januari 1991 tot 31 december 1999, datum waarop het slachtoffer op vervroegd pensioen ging;

- voor de periode vanaf het ongeval tot aan de door de gemeenrechtelijk aangestelde deskundige bepaalde consolidatiedatum van 17 augustus 1994 de eiser meer bepaald het als wedde uitbetaalde bedrag van 59.878,01 euro vordert;

- de eiser de betalingen verricht heeft bij toepassing van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en het niet betwist wordt dat de eiser de verrichte uitgaven niet definitief voor zijn rekening moet nemen.

8. De appelrechter oordeelt dat:

- de eiser op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek recht heeft op de terugbetaling van alle uitgaven die hij heeft moeten doen zonder arbeidsprestaties te ontvangen;

- de eiser, op grond van zijn eigen recht overeenkomstig artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, het in conclusie op grond van het verslag van de gemeenrechtelijk deskundige berekende bedrag van 44.153,53 euro kan terugvorderen.

9. Door aldus de vergoeding voor de schade van de eiser te herleiden tot de vergoeding waarop het slachtoffer zelf met toepassing van het gemeen recht aanspraak zou hebben kunnen maken ten aanzien van de aansprakelijke, schenden de appelrechters de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

Eerste subonderdeel

10. Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, heeft de werkgever recht op vergoeding voor de wedde en de daarop rustende lasten die hij heeft betaald terwijl zijn personeelslid arbeidsongeschikt was, als gevolg van het door de fout van een derde veroorzaakte ongeval.

De rechter oordeelt onaantastbaar over de arbeidsongeschiktheid van het slachtoffer.

11. De appelrechter oordeelt dat de verweerster enkel gehouden is tot terugbetaling van de door de eiser uitbetaalde wedde in de mate dat de arbeidsongeschiktheid te wijten is aan de schuld van de verzekerde van de verweerster.

Hij stelt vast dat volgens de gemeenrechtelijk aangestelde deskundige de letsels van het slachtoffer op 17 augustus 1994 geconsolideerd waren met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 12 pct. en dat de deskundige nergens in zijn verslag stelt dat de verdere tewerkstelling van het slachtoffer in zijn functie van bode- kamerdeurwaarder onmogelijk was geworden ingevolge de letsels opgelopen bij het ongeval.

12. Op grond hiervan oordeelt de appelrechter wettig dat, bij gebrek aan bewijs van een oorzakelijk verband met het ongeval, de eiser geen aanspraak kan maken op de wedde die hij na de datum van consolidatie verder heeft uitbetaald.

Het subonderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede subonderdeel

13. Anders dan waarvan het subonderdeel uitgaat, beslist de appelrechter niet dat de eiser zelf een fout heeft begaan door het getroffen personeelslid niet opnieuw tewerk te stellen vanaf de datum van consolidatie.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde subonderdeel

14. De werkgever in de overheidssector die aanvoert schade te hebben geleden als gevolg van een door de fout van een derde veroorzaakt ongeval waarvan zijn personeelslid het slachtoffer werd, doordat hij de wedde en de daarop rustende lasten heeft moeten betalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, dient zijn schade in oorzakelijk verband met de fout te bewijzen.

De werkgever dient derhalve niet alleen het bedrag van de betaalde wedde te bewijzen, maar ook dat die wedde betaald is voor een periode tijdens dewelke het personeelslid, als gevolg van het ongeval, arbeidsongeschikt was.

Hij kan daarvan het bewijs leveren met alle middelen.

15. Krachtens artikel 8 koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, bepaalt de Administratieve Gezondheidsdienst, volgens de voorschriften van zijn reglement betreffende de arbeidsongevallen, het percentage van de blijvende arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van het fysiologisch letsel door het ongeval veroorzaakt.

16. Het optreden van de Administratieve Gezondheidsdienst is enkel bedoeld om de verplichtingen te bepalen die overeenkomstig de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel aan de werkgever zijn opgelegd.

In het geschil tussen de werkgever en de verzekeraar van de voor het ongeval aansprakelijke persoon over de eigen schade van de werkgever, kunnen de vaststellingen van de genoemde dienst worden aangevoerd als een feitelijk vermoeden, waarvan de beoordeling aan de rechter is overgelaten.

17. Het subonderdeel dat ervan uitgaat dat de vaststellingen van de Administratieve Gezondheidsdienst niet meer kunnen worden bestreden voor de rechter die uitspraak doet over de vordering tot vergoeding van eigen schade van de werkgever in de overheidssector tegen de verzekeraar van de voor het ongeval aansprakelijke persoon, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard en in zoverre het beslist dat de eiser geen aanspraak kan maken op vergoeding voor de wedde die hij na 17 augustus 1994 aan Freddy Van Kasegem heeft uitbetaald.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 30 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van afgevaardigd griffier Veerle Baeyens.

Vrije woorden

  • Publieke werkgever

  • Arbeidsongeschiktheid van een personeelslid

  • Recht op vergoeding

  • Toepassing