- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - P.10.2037.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De door de onderzoeksgerechten genomen beslissingen van buitenvervolgingstelling hebben geen gezag van gewijsde ten aanzien van de strafrechter die kennisneemt van de strafvordering wegens andere feiten die aan anderen worden tenlastegelegd; dergelijke beslissingen kunnen immers noch de uitoefening van de strafvordering jegens die personen beperken, noch de uitoefening van het recht van verdediging dat vrij en ten volle moet kunnen worden uitgeoefend (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.2037.F

I.

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

II.

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van de Bijzondere Belastinginspectie,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

beide cassatieberoepen tegen

1. D. W., e.a.,

de verweerders sub 1 tot 6, vertegenwoordigd door mr. Caroline de Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

de verweerders sub 7, 8, 10 en 11, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 10 december 2010.

De eiser I voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 20 april 2011 een conclusie neergelegd ter griffie van het Hof.

De tweede eiser heeft een zittingsnota neergelegd.

Op de rechtszitting van 4 mei 2011 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. FEITEN

1. Na afloop van een met toepassing van de artikelen 485 tot 487 Wetboek van Strafvordering geopend gerechtelijk onderzoek, heeft het Hof van Cassatie op 27 juni 2007 een arrest gewezen dat verklaart dat er geen grond is om J.-C. L., advocaat-generaal bij het hof van beroep te Bergen, te vervolgen wegens valsheid en gebruik van valse stukken door een ambtenaar, verduistering door een ambtenaar, verleiding van een getuige, schending van het beroepsgeheim en vereniging van boosdoeners, en evenmin om V. C., procureur des Konings te Neufchâteau, te vervolgen wegens valsheid in geschriften door een ambtenaar, verduistering door een ambtenaar en vereniging van boosdoeners.

Voorafgaand aan de ambten die zij op het ogenblik van die rechtspleging uitoefenden, was eerstgenoemde magistraat als onderzoeksrechter belast met de zaken 1 en 2 van het thans aan het Hof voorgelegde dossier en was laatstgenoemde magistraat als parketmagistraat belast met de zaak 1 van hetzelfde dossier.

De eerste, vierde, zesde en tiende verweerder hadden zich burgerlijke partij gesteld voor het Hof.

2. Het beroepen vonnis verklaart de vervolgingen niet ontvankelijk die:

- in zaak 1 tegen de verweerders D. W., C. S., J.-M. B., E. V., H. H., T. K., A. B., L. B., D. D. C., R. V., D. W., L. V. en J. D. zijn ingesteld wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, valsheid met het oog op ontduiking van de inkomstenbelastingen en gebruik van valse stukken, valsheid met het oog op ontduiking van met zegel gelijkgestelde taksen en gebruik van valse stukken, valsheid met het oog op ontduiking van successierechten en gebruik van valse stukken, overtredingen van het Wetboek van Inkomstenbelasting, witwassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, vereniging van boosdoeners, overtreding van het BTW-wetboek, overtreding van de wet betreffende de bedrijfsboekhouding, valsheid in de jaarrekeningen van de vennootschappen en gebruik van valse stukken;

- in zaak 2, tegen de verweerders D. W. en R. V. zijn ingesteld wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, valsheid met het oog op ontduiking van inkomstenbelastingen en gebruik van valse stukken, overtredingen van het Wetboek van successierechten, witwassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek en overtredingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen.

Het voormelde vonnis ontslaat genoemde verweerders van rechtsvervolging, beveelt de teruggave, aan de verweerder D. W., van de borgsom van 5 miljoen Belgische frank die is gestort op grond van de beschikking waarbij hij in vrijheid was gesteld, en verklaart de rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering van de burgerlijke partij, de Belgische Staat, de tweede eiser.

3. Het bestreden arrest bevestigt de strafrechtelijke en burgerrechtelijke beschikkingen van dat vonnis.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de eiser I

Eerste middel

De eiser verwijt het bestreden arrest dat het bij het onderzoek van zaak 1 heeft bevestigd dat de processen-verbaal met betrekking tot de herkomst van de tot staving van de vervolgingen overgelegde stukken, met instemming of op verzoek van de onderzoeksrechter en het openbaar ministerie werden weggenomen en vervangen door valse stukken en dat de beweringen van de getuige S. D. volgens welke de onderzoeksrechter haar onder druk zou hebben gezet om op haar vroegere verklaringen terug te komen, geloofwaardig zijn.

De eiser die miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken inroept, voert aan dat de appelrechters aldus het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van 27 juni 2007 hebben miskend.

De door de onderzoeksgerechten genomen beslissingen tot buitenvervolgingstelling hebben geen gezag van gewijsde ten aanzien van de strafrechter die kennisneemt van de strafvordering wegens andere feiten die aan andere personen worden ten laste gelegd.

Dergelijke beslissingen kunnen immers noch de uitoefening van de strafvordering jegens die personen beperken, noch de uitoefening van het recht van verdediging dat vrij en ten volle moet kunnen worden uitgeoefend.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de tweede eiser in de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 31 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onderzoeksgerechten

  • Beslissing

  • Arrest van buitenvervolgingstelling