- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - P.10.1931.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de onderzoeksrechter, zelfs zonder enige onderzoeksdaad te verrichten, een reden vaststelt die naar zijn oordeel het voeren of verder zetten van een onderzoek belet of overbodig maakt, zendt hij overeenkomstig artikel 127, §1, Wetboek van Strafvordering het dossier over aan de procureur des Konings die vervolgens de regeling van de rechtspleging door de raadkamer vordert, tenzij hij alsnog onderzoekshandelingen vordert.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1931.N

K. M.,

burgerlijke partij,

eiseres,

met als raadsman mr. Hans Schyvens, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

R. M. C. C.,

inverdenkinggestelde,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 november 2010.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van "de regels die de verjaring van de strafvordering betreffen", alsook van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering samen gelezen met de artikelen 127 en volgende van hetzelfde wetboek, minstens schending van artikel 149 Grondwet en miskenning van de motiveringsplicht: de kamer van inbeschuldigingstelling heeft onterecht eerst de strafvordering lastens de verweerder vervallen verklaard en vervolgens het verzoek van de eiseres tot bijkomend onderzoek zonder voorwerp verklaard terwijl zij eerst diende te oordelen of de gevraagde bijkomende onderzoeksdaden van nut zouden zijn voor het achterhalen van de waarheid; het is in elk geval niet redelijk te stellen dat het onderzoek voltooid is zonder dat de onderzoeksrechter enige onderzoeksdaad heeft laten uitvoeren; de kamer van inbeschuldigingstelling heeft nagelaten te antwoorden op de argumenten van de eiseres met betrekking tot het nut van de gevraagde bijkomende onderzoeksdaden; de motivering van het arrest is minstens dubbelzinnig.

2. Het middel dat een dubbelzinnigheid in de motivering van het arrest aanvoert, geeft niet aan in welke lezing van het arrest de beslissing wettig en in welke andere lezing ze onwettig zou zijn.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

3. In zoverre het middel gericht is tegen het gevoerde onderzoek of het gebrek eraan, is het niet gericht tegen de bestreden beslissing.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

4. Wanneer de onderzoeksrechter, zelfs zonder enige onderzoeksdaad te verrichten, een reden vaststelt die naar zijn oordeel het voeren of verder zetten van een onderzoek belet of overbodig maakt, zendt hij overeenkomstig artikel 127, § 1, Wetboek van Strafvordering het dossier over aan de procureur des Konings die vervolgens de regeling van de rechtspleging door de raadkamer vordert, tenzij hij alsnog onderzoekshandelingen vordert.

In zoverre het middel aanvoert dat de onderzoeksrechter steeds een onderzoeksdaad dient te verrichten vooraleer een beschikking tot mededeling te nemen, faalt het naar recht.

5. De onderzoeksrechter en het onderzoeksgerecht moeten niet steeds ingaan op een verzoek bijkomende onderzoekshandelingen te stellen; de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de regeling van de rechtspleging, oordelen onaantastbaar over de noodzaak van bijkomende onderzoekshandelingen.

In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbare oordeel, is het niet ontvankelijk.

6. De weigering om een nader onderzoek te bevelen is regelmatig met redenen omkleed als het onderzoeksgerecht op grond van de gegevens die het preciseert, oordeelt dat de gevraagde onderzoeksverrichtingen niet dienstig zijn om de waarheid aan het licht te brengen en dat er een reden bestaat om te besluiten tot het verval van de strafvordering.

7. Het arrest (ro 3.4 tot 3.7.2) oordeelt dat:

- er voldoende bezwaren bestaan om te oordelen dat de aan de verweerder verweten feiten van heling zich hebben voorgedaan op een niet nader bepaalde datum tussen 1 januari 2000 en 31 december 2000, ogenblik van het in bezit nemen van de kwestieuze waardepapieren;

- bijkomend onderzoek, zoals gevraagd door de eiseres, aangaande het bestaan van deze in bezit name en de feitelijke omstandigheden hiervan, om de redenen die het vermeldt niet dienstig is voor de waarheidsvinding;

- mocht de vonnisrechter die over de gegrondheid van de strafvordering dient te oordelen, deze feiten bewezen achten, hij de verjaring van de strafvordering dient vast te stellen.

Aldus oordeelt het arrest wettig dat verder onderzoek nutteloos is en beantwoordt het regelmatig het verzoek van de eiseres tot bijkomend onderzoek.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 69,80 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 31 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Beschikking tot mededeling

  • Afwezigheid van onderzoeksdaad