- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - P.11.0003.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het bevoegde bestuur kan de herstelvordering en de motieven ervan tijdens het geding aanpassen en nader toelichten tengevolge van de tegen deze vordering aangevoerde bezwaren; niets staat eraan in de weg dat deze aanpassing bij wijze van conclusie namens het bevoegde bestuur zou geschieden (1). (1) Zie Cass. 29 sept. 2008, AR P.08.0468.N, AC, 2008, nr. 496.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0003.N

J. J. D.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Katia Bouve, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9,

eiser tot herstel,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 november 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: in navolging van de vaste rechtspraak oordelen de appelrechters alleen over de wettigheid, niet over de opportuniteit van de herstelmaatregel die de verweerder heeft gevorderd; nochtans leidt de herstelmaatregel als "straf" in de zin van voormelde verdragsbepalingen tot een noodzakelijke toetsing met volle rechtsmacht door de rechter; de eiser kreeg aldus niet de kans om de opportuniteit van het gevorderde herstel onder meer op grond van zijn gevorderde leeftijd, zijn karig inkomen en beperkte woonmogelijkheden te betwisten, waardoor zijn recht op een eerlijk proces is miskend.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat het bepaalde in artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening strijdig is met de volheid van rechtsmacht van de strafrechter zoals die volgt uit artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR.

Het middel is nieuw en dus niet ontvankelijk.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen, artikel 149, § 1, eerste lid, en § 2, Stedenbouwdecreet 1999, artikel 6.1.41, § 1 en § 4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 440 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters oordelen onterecht dat de motivering van de herstelvordering op regelmatige wijze werd aangevuld; nochtans blijkt niet uit de stukken van het dossier dat dit geschiedde door een ambtenaar met de vereiste hoedanigheid, noch dat deze aanvulling bij wijze van conclusie geschiedde krachtens een bijzondere volmacht aan de raadsman; daarenboven is deze conclusie geen vordering die aan het parket werd overgemaakt, zodat evenmin de vormvoorschriften van artikel 149, § 2, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.41, § 4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werden nageleefd.

4. In zoverre het middel gericht is tegen de herstelvordering en niet tegen het bestreden arrest, is het niet ontvankelijk.

5. In zoverre wordt verwezen naar stukken uit het dossier of het ontbreken van stukken wordt aangevoerd en de hoedanigheid van de optredende ambtenaar wordt betwist, vraagt het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.

6. Voor het overige kan het bevoegde bestuur de herstelvordering en de motieven ervan tijdens het geding aanpassen en nader toelichten tengevolge van de tegen deze vordering aangevoerde bezwaren. Niets staat eraan in de weg dat deze aanpassing bij wijze van conclusie namens het bevoegde bestuur zou geschieden.

In zoverre faalt het middel naar recht.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1.7 en 7.17.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 149, § 1, en 198bis Stedenbouwdecreet 1999: de appelrechters oordelen onterecht dat geen voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor handhavingsbeleid moet worden ingewonnen; als wordt aanvaard dat de herstelvordering, zoals geëxpliciteerd in de conclusie van de stedenbouwkundige inspecteur, de oude herstelvordering heeft aangevuld op vlak van motivering en op vlak van toepassingsgebied, betreft dit een nieuwe herstelvordering waarop voormeld verplicht advies toepasselijk is.

8. In zoverre wordt aangevoerd dat de herstelvordering ingeleid bij brief van 15 oktober 2003 werd vervangen door een nieuwe herstelvordering, zoals geformuleerd in de conclusie van de verweerder en neergelegd ter rechtszitting van 29 oktober 2009, vraagt het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

9. Voor het overige stellen de appelrechters vast dat de herstelvordering van de verweerder werd ingeleid op een ogenblik dat het vereiste van een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het herstelbeleid nog niet bestond.

Het middel dat opkomt tegen die vaststelling in feite is in zoverre evenmin ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,07 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 31 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Herstel van plaats in de vorige staat

  • Bevoegd bestuur

  • Herstelvordering

  • Bezwaren

  • Aanpassing aan de gewijzigde toestand