- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - P.11.0098.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het voor onbestaande houden van de beslissing van de voorzitter zetelend in kortgeding is een civielrechtelijk gegeven dat in het kader van de autonome afhandeling van de strafvordering niet afdoet aan het misdrijf van niet-afgifte van het kind wanneer vaststaat dat ten tijde van de telastgelegde periode een uitvoerbare rechterlijke beslissing bestond, die een bevel tot afgifte van het kind inhield (1). (1) Zie Cass. 5 mei 1999, AR P.99.0481.F, AC, 1999, nr. 263, en Cass. 20 maart 1991, AR nr. 8702, AC, nr. 386.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0098.N

L. T. J. P.,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Jef Vermassen en mr. Virginie Cottyn, advocaten bij de balie te Dendermonde,

tegen

A. P. L,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 432, § 2 en § 3, Strafwetboek: eiser wordt vervolgd voor het niet-afgeven van een kind, in strijd met het vonnis van de voorzitter zetelend in kortgeding van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 3 oktober 2005; de appelrechters dienden deze beslissing voor onbestaande te houden daar bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 juni 2010 beslist was dat de voorzitter van de rechtbank te Tongeren zetelend in kortgeding van bij de aanvang niet bevoegd was; de inbreuk op artikel 432, § 2, Strafwetboek is een voortdurend misdrijf en het kind verblijft nog steeds in het buitenland, zodat nog tijdens de duurtijd van het misdrijf het delictuele karakter ervan is weggevallen.

2. Het voor onbestaande houden van de beslissing van de voorzitter zetelend in kortgeding is een civielrechtelijk gegeven dat in het kader van de autonome afhandeling van de strafvordering niet afdoet aan het misdrijf van niet-afgifte van het kind wanneer vaststaat dat ten tijde van de telastgelegde periode een uitvoerbare rechterlijke beslissing bestond, die een bevel tot afgifte van het kind inhield. De appelrechters stellen vast dat er op het ogenblik van de ten laste gelegde feiten, namelijk van 3 oktober 2005 tot 26 januari 2007, een uitvoerbare rechterlijke beslissing bestond. Zij waren niet gelast met feiten buiten die periode.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eiser werd veroordeeld zonder dat de appelrechters hebben gemotiveerd waarom een latere nietigverklaring van de beslissing van de voorzitter zetelend in kort geding zonder belang is op het strafrechtelijk karakter van de feiten.

4. Anders dan het middel aanvoert, beantwoordt het arrest met de redenen die het bevat (arrest, p. 6-7) het bedoelde verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 432, § 1 en § 2, Strafwetboek: de appelrechters hebben ten onrechte de verzwarende omstandigheid aangenomen dat het kind onrechtmatig in het buitenland werd vastgehouden, terwijl het kind niet in strijd met enige rechterlijke beslissing naar het buitenland werd meegenomen en er sinds 5 februari 1999 gedomicilieerd is.

6. Het middel verplicht het Hof tot een onderzoek van de feiten, waarvoor het niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Vierde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 432, § 2 en § 3, Strafwetboek: de beschikking van de voorzitter zetelend in kort geding van 3 oktober 2005 kende het ouderlijk gezag aan de verweerster toe, maar bevatte geen bepaling over het verblijf van het kind, over het begin van het contact tussen het kind en de verweerster of over de wijze waarop het contact moest hersteld worden noch werd er bevolen het kind af te geven aan de verweerster; aldus was niet voldaan aan de samenstellende bestanddelen van het misdrijf en hebben de appelrechters ten onrechte de eiser veroordeeld.

8. De samenstellende bestanddelen van de misdrijven bepaald in artikel 432, § 2 en § 3, Strafwetboek zijn niet deze die in het middel worden vermeld. De aangehaalde wetsbepalingen vermelden wel de volgende materiële bestanddelen:

- het onttrekken of pogen te onttrekken van het kind aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing is toevertrouwd of

- het niet afgeven van het kind aan degenen die het recht hebben het op te eisen, of

- het ontvoeren of doen ontvoeren van het kind, zelfs met zijn toestemming.

Het middel faalt naar recht.

Vijfde middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters hebben niet geantwoord op het verweer van de eiser dat niet alle samenstellende bestanddelen van het misdrijf verenigd waren, vermits de beschikking van de voorzitter zetelend in kort geding geen bepaling voorzag over de afgifte van het kind; zij hebben ook niet geantwoord op het middel dat aanvoerde dat het vonnis van de rechtbank van Manilla van 20 september 1999 van toepassing was.

10. Het middel is geheel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste, tweede en vierde middel.

Het middel is niet ontvankelijk.

Zesde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben de eiser veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de verweerster; daar deze gebruik maakt van een valse identiteit hebben de appelrechters een schadevergoeding toegekend aan een persoon met een bepaalde naam die evenwel de moeder niet kan zijn en dus geen schade heeft geleden.

Het middel verplicht tot een onderzoek van de feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,07 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 31 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Uitvoerbare rechterlijke beslissing inzake bewaring van een kind

  • Niet-afgifte van een kind

  • Autonome afhandeling strafvordering