- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - P.11.0971.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vrijheidsbeneming bedoeld in de artikelen 1,1°, 2 en 18, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet neemt een aanvang vanaf het ogenblik dat de verdachte geen vrijheid van komen en gaan heeft, dit is vanaf het ogenblik dat de politiediensten zich van zijn persoon hebben verzekerd; dit is niet het geval wanneer de verdachte zich vrij in zijn woning begeeft waar hij zich verschanst en de politiediensten de straat in de omgeving van die woning afzetten; op dat ogenblik hebben de politiediensten immers nog geen controle over de persoon van de verdachte en is het diens vrije keuze om zich in de plaats waar hij zich bevindt te verschansen (1). (1) Zie Cass. 21 nov. 2001, AR P.01.1538.F, AC, 2001, nr. 636.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0971.N

H. B.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 12 Grondwet en van de artikelen 1, 2 en 18 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het aanhoudingsbevel afgeleverd werd binnen de 24 uur na eisers vrijheidsbeneming; de inperking van de vrijheid van komen en gaan ontstaat niet op het ogenblik dat de verdachte de handboeien werd aangedaan; vanaf het ogenblik dat het interventieteam van de politie gewapend de straat had afgezet, kon de eiser nergens meer heen en beschikte hij niet meer over de vrijheid van komen en gaan.

2. Anders dan het middel ervan uitgaat, oordeelt het arrest niet dat de vrijheid van komen en gaan slechts begint wanneer de verdachte de boeien wordt aangedaan.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

3. De vrijheidsbeneming bedoeld in artikel 5 EVRM betreft een maatregel waarbij een persoon tegen zijn wil wordt opgehouden in een welbepaalde plaats ingevolge het bevel van een bevoegde overheid. Het geval van een persoon die zich in zijn woning verschanst waar hij zich vrijwillig begeven heeft, is dergelijke vrijheidsbeneming niet.

In zoverre faalt het middel naar recht.

4. De vrijheidsbeneming bedoeld in de artikelen 1, 1°, 2 en 18, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet neemt een aanvang vanaf het ogenblik dat de verdachte geen vrijheid van komen en gaan heeft, dit is vanaf het ogenblik dat de politiediensten zich van zijn persoon hebben verzekerd. Dit is niet het geval wanneer de verdachte zich vrij in zijn woning begeeft waar hij zich verschanst en de politiediensten de straat in de omgeving van die woning afzetten. Op dat ogenblik hebben de politiediensten immers nog geen controle over de persoon van de verdachte en is het diens vrije keuze om zich in de plaats waar hij zich bevindt te verschansen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het evenzeer naar recht.

5. Het arrest oordeelt dat:

- de eiser vrij zijn woning kon binnenkomen zonder onmiddellijk door de aanwezige politie staande te worden gehouden;

- de eiser verkoos zich in zijn woning terug te trekken en zich eerst te verstoppen;

- in een verder stadium, de eiser zelf op het dak van de woning kroop na zich zelf verschanst te hebben, vanwaar hij dakpannen naar de politie- en hulpdiensten wierp, waardoor deze een belangrijke open ruimte diende vrij te houden waarover de eiser kon beschikken om desgewenst te ontvluchten;

- de eiser om 19 u 50 vrijwillig zijn woning heeft verlaten en zich overgegeven heeft aan de politie.

Op grond van die vaststellingen oordeelt het arrest dat de eiser beschikte over zijn vrijheid van komen en gaan totdat hij vrijwillig zijn woning heeft verlaten en zich overgegeven heeft aan de politie en dat zijn vrijheidsbeneming vanaf die overgave een aanvang heeft genomen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

Ambtshalve onderzoek

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 63,39 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 31 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Vrijheidsbeneming

  • Aanvang