- Arrest van 1 juni 2011

01/06/2011 - P.11.0247.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 6.3.a, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, volgens hetwelk een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft om op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, heeft alleen betrekking op de inlichtingen inzake de ten laste gelegde strafbare feiten en de juridische omschrijving ervan; noch die bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel leggen de rechter de verplichting op om de vervolgde persoon ervan te verwittigen dat, ingeval hij een verval van het recht tot sturen uitspreekt, die straf moet gekoppeld worden aan een beveiligingsmaatregel (1). (1) Zie Cass. 4 maart 2008, AR P.08.0332.N, AC, 2008, nr. 155.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0247.F

E. K.,

Mr. Ernest Deconinck, advocaat bij de balie te Doornik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Bergen, van 21 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, één middel aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en schending van artikel 6.3 EVRM. De eiser verwijt de appelrechters dat zij hem in het ongewisse hebben gelaten over de mogelijkheid om het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor een praktisch examen, een beveiligingsmaatregel die bij artikel 38, § 5, Wegverkeerswet is voorzien.

Artikel 6.3, a, EVRM, volgens hetwelk een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft om op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, heeft alleen betrekking op de inlichtingen inzake de hem ten laste gelegde strafbare feiten en de juridische omschrijving ervan.

Noch die bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel leggen de rechter de verplichting op om de vervolgde persoon ervan te verwittigen dat, ingeval hij een verval van het recht tot sturen uitspreekt, die straf moet gekoppeld worden aan een beveiligingsmaatregel.

Het middel faalt naar recht.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 1 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Artikel 6.3.a

  • Recht van de beschuldigde om onverwijld op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de beschuldiging

  • Draagwijdte