- Arrest van 3 juni 2011

03/06/2011 - C.09.0227.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Conclusie van advocaat-generaal Vandewal.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0227.N

HONDA MOTOR EUROPE (North) Gmbh, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 63069 Offenbach am Main (Duitsland), Sprendlinger Landstrasse 166,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149/20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Ondernemen en Vereenvoudigen, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 9,

verweerder,

2. OCCASIEMARKT bvba, in vereffening, met zetel te 2920 Kalmthout, dr. H. Goossenaertsstraat 37,

3. ERX nv, met zetel te 9032 Gent (Wondelgem), Westergemstraat 140,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,

4. DELTA MOTORCYCLE nv, met zetel te 2300 Turnhout, Otterstraat 120,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,

5. MAASKANT MOTORS nv, met zetel te 3621 Rekem, Steenweg 54,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,

6. MOTO'S DESCHOUWER nv, met zetel te 1980 Eppegem, Hoge Buizen 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,

7. QUALITY BIKES bvba, met zetel te 9000 Gent, Ch. De Kerckhovenlaan 361,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,

8. AUTO-MOTO CENTER CASET nv, met zetel te 8810 Lichtervelde, Brugsebaan 24,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,

9. D.V. P.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 2 februari 2009.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 21 maart 2011 een conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 75 Wet Economische Mededinging 2006, kan tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter, alsmede tegen stilzwijgende beslissingen tot toelating van concentraties door het verstrijken van de in de artikelen 58 en 59 bepaalde termijnen, beroep worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel, behalve wanneer de Raad voor de Mededinging een beslissing neemt met toepassing van artikel 79. Het hof van beroep doet uitspraak met volle rechtsmacht inzake de vermeende restrictieve praktijken en desgevallend inzake de opgelegde sancties evenals inzake de toelaatbaarheid van concentraties. Het hof van beroep kan de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad in overweging nemen. Het hof van beroep kan geldboetes en dwangsommen opleggen volgens de bepalingen zoals bedoeld in Afdeling 8 van Hoofdstuk IV van de wet.

2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het hof van beroep te Brussel zijn eigen beslissing in de plaats kan stellen van de beslissing van de Raad voor de Mededinging, zowel inzake restrictieve mededingingspraktijken als inzake concentraties en dat het rekening kan houden met de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad.

In beginsel kan het hof van beroep, volgens de parlementaire voorbereiding, zijn beoordeling volledig in de plaats stellen van deze van de Raad voor de Mededinging en kan het de beslissing waartegen hoger beroep werd ingesteld niet alleen vernietigen maar ook hervormen en een beslissing nemen die de aangevochten beslissing vervangt.

3. Het hof van beroep te Brussel heeft, ook al bezit het een volle rechtsmacht, nochtans een specifieke rol in de handhaving van de wet over de mededinging die niet onbeperkt kan vereenzelvigd worden met de rol van de Raad voor de Mededinging.

Wanneer een onbeperkt hoger beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van de Raad over een restrictieve mededingingspraktijk waarbij een restrictieve praktijk wordt vastgesteld en een boete wordt opgelegd, is het hof van beroep te Brussel niet verplicht een nieuw onderzoek te voeren of te beslissen om uit eigen beweging elementen uit het onderzoek aan een debat te onderwerpen met het oog op de vaststelling van de inbreuk.

Het mag, wat de rechtspleging betreft, de toetsing beperken tot onder meer de vragen of de procedurevoorschriften en de motiveringsvereiste in acht zijn genomen. Het mag ook, wat de grond van de zaak betreft, de toetsing beperken tot de vraag of de feiten juist zijn weergegeven, of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling van de feiten en of de juridische kwalificatie van de feiten juist is, waarbij het hof van beroep beoordeelt of de aangevoerde bewijsstukken het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van de inbreuk en de daaruit getrokken conclusies kunnen dragen.

Het moet op grond van de door het hof van beroep zelf of door de raad als vaststaande aangenomen feiten oordelen of de restrictieve praktijk vaststaat of niet. Het moet zelf bepalen of op grond van de aangehouden gegevens een eventuele geldboete verschuldigd is en van welke omvang.

4. Het middel gaat volledig ervan uit dat het hof van beroep te Brussel dezelfde opdracht en taak heeft als de Raad voor de Mededinging en verplicht is de zaak zelf zonder beperking te beoordelen.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

5. Voor het overige gaat het middel ervan uit dat het begrip volle rechtsmacht dat het EHRM hanteert in zaken van administratieve sancties uitgesproken door het bestuur die als een straf in de zin van artikel 6 EVRM zouden gelden, ook toepasselijk zou zijn bij de beoordeling van de uitspraak van een administratief rechtscollege zoals de Raad voor de Mededinging, maar geeft hierover geen enkele uitleg.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert aan dat het onderzoek gebaseerd op de artikelen 44 tot 54 Wet Economische Mededinging 2006 de kenmerken vertoont van een strafrechtelijk onderzoek.

7. Het onderzoek gebaseerd op die artikelen is geen strafrechtelijk onderzoek.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

8. Voor het overige voert de eiseres aan dat de opgelegde sanctie een straf is in de zin van artikel 6 EVRM, zodat haar recht op een eerlijk proces geschonden werd, omdat het onderzoek niet volledig was en beweert dat het onderzoek niet "à charge" en"à décharge" gevoerd werd zoals vereist door artikel 6.3, d, EVRM.

9. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het onderzoek onvolledig was, vraagt het een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof het niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

10. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de bewering dat het onderzoek niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 6.3, d, EVRM gaat het ervan uit dat het onderzoek een strafrechtelijk onderzoek is in de zin van die bepaling.

De eiseres heeft voor de appelrechter niet aangevoerd dat het arrest moest nagaan of het onderzoek voldoende "à charge" en "à décharge" gedaan werd zoals vereist door artikel 6.3, d, EVRM.

Het onderdeel is in zoverre nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel gaat volledig ervan uit dat de eiseres veroordeeld werd na een onderzoek dat naar de maatstaven van het EVRM een strafonderzoek is.

12. De vervolgingen op grond van het mededingingsrecht zijn van civielrechtelijke aard, ook al verloopt de procedure inquisitoriaal.

De eiseres legt niet uit hoe en waardoor de procedure als een strafprocedure zou kunnen beschouwd worden tenzij door de onnauwkeurige bewering dat de "onderneming lastens dewelke een onderzoek wegens misbruik van machtspositie wordt gevoerd, zich in een gelijkaardige positie bevindt als deze waarin de beklaagde in een strafproces stricto sensu zich bevindt".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

13. Het bestreden arrest stelt vast dat tijdens de door de Raad als inbreukmakend beschouwde periode verschillende procedures bestonden die naar hun finaliteit in ruime zin beschouwd, in beginsel substitueerbare diensten hadden kunnen betreffen aan de dienst van de aflevering van gelijkvormigheidsattesten voor de motorfietsen van het merk Honda.

Het oordeelt dat de regelgeving zelf aan de substitueerbaarheid in de weg stond. Dit vindt zijn oorsprong, volgens de appelrechters, "enerzijds in de exclusiviteit inzake homologatie die aan de officiële invoerders was toebedeeld ten aanzien van de homologaties die door de professionele ondernemingen dienden te worden bekomen en anderzijds in de reglementair vigerende beperkingen in het gebruik van de drie andere procedures dan de ‘gelijkvormigheidsattest'-procedure en met name deze inzake het ‘proces-verbaal van goedkeuring als alleenstaand geval', die in strijd met de regelgeving werd benut".

Met betrekking tot de vigerend reglementaire beperkingen in het gebruik van het ‘proces-verbaal van goedkeuring als alleenstaand geval', stelt het bestreden arrest met name vast dat tot de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen het ‘proces-verbaal van goedkeuring als alleenstaand geval' kon worden afgeleverd door de minister van verkeerswezen zelf of zijn gemachtigde en de kostprijs daarvan was beperkt tot 1.800 frank.

Het bestreden arrest stelt verder vast dat sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 6 april 1995, het ‘proces-verbaal van goedkeuring als alleenstaand geval' niet meer kon worden verkregen bij de minister, maar enkel bij een bij de Groepering van Erkende Instellingen voor automobielinspectie aangesloten instelling en de kostprijs hiervoor 25.000 frank bedroeg.

14. Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest oordeelt dat het door de onafhankelijke invoerders ‘gebruikte systeem van de goedkeuring als alleenstaand geval' niet te beschouwen is als een dienst die substitueerbaar is aan de door eiseres geboden dienst van de afgifte van gelijkvormigheidsattesten en dus niet onder de relevante markt valt, en dit om de enkele reden dat deze procedure door de onafhankelijke invoerders werd benut in strijd met de regelgeving, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.

Het middel mist feitelijke grondslag.

15. Doordat het middel feitelijke grondslag mist, is er geen reden om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Vierde middel in zijn geheel

16. De beide onderdelen voeren een motiveringsgebrek aan in verband met de omvang van de geldboete en het opzet: de appelrechters preciseren niet waaruit ze dat opzet afleiden (eerste onderdeel) en ze motieveren niet de vaststelling van dat opzet, zodat ze de synthesenota van de eiseres niet beantwoorden (tweede onderdeel).

17. Anders dan waarvan het middel uitgaat, laat het geheel van de redenen van het bestreden arrest (onder meer ro 38, 60 tot 67, 69 en 71) het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen in verband met de opgelegde geldboete en beantwoordt het het verweer van de eisers.

De onderdelen missen feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 2900,99 euro en voor de verweerders sub 3 tot en met 9 op de som van 172,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Geert Jocqué en Alain Bloch en in openbare rechtszitting van 3 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Mededinging

  • Restrictieve mededingingspraktijken

  • Concentraties

  • Raad voor de mededinging

  • Beslissingen

  • Hoger beroep

  • Hof van beroep te Brussel

  • Volle rechtsmacht