- Arrest van 3 juni 2011

03/06/2011 - C.10.0614.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de verjaring van de dwangsommen door verloop van zes maanden na de dag waarop zij worden verbeurd, gestuit wordt door een bevel tot betalen of door een beslag en hiertegen door de schuldenaar verzet wordt gedaan binnen de termijn van zes maanden, duren de gevolgen van de stuiting weliswaar voort totdat over dit verzet definitief uitspraak is gedaan, maar enkel voor wat betreft de dwangsommen verbeurd op het ogenblik van de stuiting.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0614.N

OOSTERBOSCH BENNY EN FRANK bvba, met zetel te 3740 Bilzen, Kapittelstraat 4,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. H. H.,

2. A. M.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 mei 2010.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De appelrechters oordelen ook dat er in de bedoelde periode nog steeds sprake is van de aanwezigheid van allerhande constructies en materialen.

2. Deze niet-bekritiseerde overwegingen schragen de bestreden beslissing, zodat de grieven ook zouden zij gegrond zijn, niet tot cassatie kunnen leiden.

Het middel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

3. Krachtens artikel 1385octies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, verjaart de dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop zij wordt verbeurd. Deze verjaring kan worden gestuit overeenkomstig artikel 2244 Burgerlijk Wetboek.

Wanneer de verjaring aldus wordt gestuit door een bevel tot betalen of door een beslag en hiertegen door de schuldenaar verzet wordt gedaan binnen de termijn van zes maanden, duren de gevolgen van de stuiting weliswaar voort totdat over dit verzet definitief uitspraak is gedaan, maar enkel voor wat betreft de dwangsommen verbeurd op het ogenblik van de stuiting.

4. De appelrechters stellen vast:

- de verweerders maken aanspraak op dwangsommen verbeurd van 17 oktober 2002 tot minstens 15 januari 2009;

- de eiseres is dwangsommen verschuldigd vanaf 17 oktober 2002;

- de verweerders lieten op 14 november 2002 een bevel tot betalen betekenen voor de dwangsommen verbeurd van 17 oktober 2002 tot en met 12 november 2002, waartegen de eiseres op 13 december 2002 verzet heeft aangetekend;

- over dit verzet wordt slechts definitief uitspraak gedaan in het bestreden arrest.

5. Door op grond van deze overwegingen te oordelen dat de dwangsommen die zijn verbeurd in de periode van 17 oktober 2002 tot 15 januari 2009 niet zijn verjaard, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Derde middel

6. De verbeurte van de dwangsom onderstelt een uitvoerbare rechterlijke beslissing. Zij kan niet worden verbeurd wanneer de uitvoerbaarheid van deze beslissing hetzij wat de hoofdveroordeling, hetzij wat de dwangsom betreft, wordt geschorst.

7. De appelrechters stellen vast dat bij beschikking van de beslagrechter van 13 mei 2004, bevestigd bij arrest van 23 oktober 2007, de uitvoerbare kracht van het vonnis van 3 februari 1995 voorlopig wordt geschorst in de mate dat de eiseres daarin veroordeeld wordt tot betaling van een dwangsom, in afwachting van een beslissing ten gronde.

Door vervolgens te oordelen dat de dwangsom verder lastens de eiseres kan worden verbeurd niettegenstaande de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing die ze oplegt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Vierde middel

Eerste onderdeel

8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerders hebben aangevoerd dat de betaling van de eiseres niet bevrijdend was aangezien zij onder voorhoud gebeurde.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de dwangsommen die werden verbeurd na 12 november 2002 niet zijn verjaard, dat de dwangsommen kunnen worden verbeurd niettegenstaande de schorsing van hun tenuitvoerlegging, dat de betaling van een bedrag van 1.988,73 euro niet bevrijdend is en uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres tot een vierde van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing hieromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 776,40 euro en voor de verweerders op de som van 171,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 3 juni 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verjaring

  • Stuiting

  • Bevel tot betalen

  • Beslag

  • Schuldenaar

  • Verzet

  • Gevolgen

  • Duurtijd