- Arrest van 6 juni 2011

06/06/2011 - C.10.0095.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel is ontvankelijk, wanneer het de schending aanvoert van een opgeheven wettelijke bepaling die van kracht was op het ogenblik dat het litigieuze recht ontstond (1). (1) Cass. 20 dec. 2007, AR C.06.0574.F, AC, 2007, nr. 655.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0095.F

MAATSCHAPPIJ VOOR INTERCOMMUNAAL VERVOER TE BRUSSEL,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

TMS LIMOUSINES cv,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 19 mei 2009.

De zaak is bij beschikking van 23 mei 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geen beslissing mag toepassen die een hogere bepaling schendt;

- artikel 159 van de Grondwet;

- de artikelen 6, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer;

- artikel 12.1. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;

- artikel 25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen en betreffende het verkeer op spoorwegen en aanhorigheden;

- artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar.

Aangevochten beslissingen

De beslissing verklaart de hoofdvordering van de verweerster ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiseres om haar een bedrag van 3.312,20 euro te betalen, vermeerderd met de compensatoire interest tegen de wettelijke interestvoet vanaf 23 januari 2004 en vervolgens de moratoire interest, tot algehele betaling.

De beslissing verwerpt de tegenvordering van de eiseres en veroordeelt haar in de kosten van eerste aanleg en hoger beroep.

"De [verweerster] stelt de [aangestelde van de eiseres] volledig aansprakelijk voor het ongeval op grond van de artikelen 27, § 2, van het koninklijk besluit van 15 september 1976 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl de [eiseres] elke aansprakelijkheid voor haar aangestelde betwist, maar de aangestelde van de [verweerster] een fout verwijt op grond van artikel 12.1. van het Wegverkeersreglement.

[...]

Artikel 25 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 verbiedt elke weggebruiker weliswaar ‘voertuigen te laten stilstaan of te parkeren op een plaats waar zij de gemakkelijke doorgang van de spoorrijtuigen belemmeren'.

Het kan niet worden betwist - en het wordt zelfs niet betwist - dat het voertuig van de [verweerster] zich op zijn minst te dicht bij de tramsporen bevond en bijgevolg de doorgang van die tram belemmerde, aangezien die tram (die wel uitzwenkt maar de rails waarop hij rondrijdt niet kan verlaten en zodoende niet van zijn voorzienbaar traject kan afwijken) zijn voertuig heeft geraakt.

Te dezen evenwel kan de aangestelde van de [verweerster] geen fout worden aangewreven, aangezien het is aangetoond dat [hij] was blijven staan om zijn klant uit de taxi te laten stappen, kennelijk op het adres dat hij hem had opgegeven; bij het beoordelen van een fout moet evenwel rekening gehouden worden met de feitelijke omstandigheden en de verplichtingen die het rijden in de stad met zich meebrengt. Dat veronderstelt toegevingen aan beide kanten en een aangepaste uitlegging van de verkeersregels, of het nu gaat om vervoer per spoor dan wel met de wagen. Die toegevingen worden geregeld in artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 15 september 1976; een andersluidende beslissing zou hierop neerkomen dat bepaalde, volkomen normale handelingen van het dagdagelijkse leven, zoals de gewone opdracht van een taxichauffeur, onmogelijk zouden worden gemaakt.

Ten overvloede moet erop gewezen worden dat er geen enkel oorzakelijk verband tussen de eventuele fout van de taxichauffeur en het ongeval kan worden aangenomen: de foto's tonen aan dat de straat op de plaats van de botsing recht - of bijna recht - loopt en een goede zichtbaarheid biedt.

Het lijdt geen twijfel dat de taxi er al lang genoeg stond om opgemerkt te kunnen worden door de [aangestelde van de eiseres]; laatstgenoemde preciseert overigens in zijn aangifte dat hij de taxi niet kon zien door de plaatsgesteldheid, wat niet strookt met de waarheid. Hij betoogt daarentegen geenszins dat die taxi plots zou zijn gestopt en dat hij hierdoor werd verrast.

De [aangestelde van de eiseres] had de stilstaande taxi dus wel degelijk moeten opmerken en op de eventualiteit van een hindernis op de weg van zijn tram bedacht had moeten zijn door zijn rijstijl hieraan aan te passen, wat hij niet heeft gedaan.

Zijn aansprakelijkheid is aangetoond, daar het ongeval, zonder zijn fout, zich niet zou hebben voorgedaan zoals het gebeurd is".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1 van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer, krachtens hetwelk de Koning de algemene reglementen op de politie over het wegverkeer kan vaststellen, heeft met name tot doel de veiligheid van het wegverkeer te waarborgen.

Artikel 12.1. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegverkeersreglement) gebiedt elke weggebruiker voorrang te verlenen aan de spoorvoertuigen en zich van de sporen te verwijderen.

Artikel 25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen en betreffende het verkeer op spoorwegen en aanhorigheden bepaalt het volgende:

"Het is verboden, zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de spoorwegexploitant, voertuigen te laten stilstaan of te parkeren en voorwerpen van enigerlei aard neer te leggen, op een plaats waar zij de gemakkelijke doorgang van de spoorrijtuigen of de normale werking van de toestellen hinderen of het zicht op de seinen van de spoorweg belemmeren".

Die bepaling is klaar en duidelijk ; zij is voor geen enkele uitlegging vatbaar.

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geen rechtsnorm kan toepassen die een hogere norm schendt, en waarvan artikel 159 van de Grondwet een bijzondere toepassing vormt, kon de rechter de uitlegging van dat artikel 25 niet "aanpassen" aan de verkeersregels en mocht hij evenmin, toen hij die bepaling toepaste, "rekening houden met de feitelijke omstandigheden en de verplichtingen die het rijden in de stad met zich meebrengt".

Redenen van billijkheid kunnen evenmin voorrang verkrijgen op de wet.

Dit is des te meer het geval omdat het voormelde artikel 25 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 een wet van politie en van openbare orde is waarvan niet kan worden afgeweken (artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek).

Zoals het bestreden vonnis vaststelt (p. 3), kan niet worden betwist - en wordt zelfs niet betwist - dat het voertuig van de [verweerster] op zijn minst "te dicht bij de tramsporen" stond en zodoende de doorgang belemmerde.

Het feit dat de [aangestelde van de eiseres] moet vertragen en desnoods moet stoppen wanneer er gevaar dreigt (artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 15 september 1976), neemt niet weg dat de aangestelde van de verweerster de artikelen 25 en 12.1 van het Wegverkeersreglement heeft geschonden toen hij zijn voertuig "te dicht" bij de tramsporen tot stilstand bracht en aldus de doorgang van de tram belemmerde. Die fout is de hoofdoorzaak of zelfs de enige oorzaak van het ongeval.

Het bestreden vonnis dat beslist dat de aangestelde van de verweerster artikel 25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 of artikel 12.1 van het Wegverkeersreglement niet heeft overtreden en zelfs niet onvoorzichtig is geweest (artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek), toen hij zijn voertuig te dicht bij de tramsporen tot stilstand bracht en aldus "de doorgang belemmerde", om de hoofdreden dat de uitlegging van artikel 25 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 "aangepast" moet worden aan de feitelijke omstandigheden en aan de verplichtingen die het rijden in de stad met zich meebrengt, miskent bijgevolg het algemeen rechtsbeginsel en schendt de wettelijke bepalingen die in de aanhef van het middel worden bedoeld, en meer bepaald voormeld artikel 25, eerste lid.

Tweede onderdeel

De rechter verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat een door een bestuurder op het Wegverkeersreglement gemaakte inbreuk niet heeft bijgedragen tot de schade, wanneer hij die beslissing grondt op redenen die niet impliceren dat de schade, zonder de aan die bestuurder ten laste gelegde inbreuk, zich niettemin op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan.

Het bestreden vonnis wijst te dezen "ten overvloede" erop dat het voertuig van de verweerster "zich te dicht bij de tramsporen bevond en bijgevolg de doorgang van die tram belemmerde", maar stelt niet vast dat de aangestelde van de verweerster, indien hij zijn voertuig niet te dicht bij de tramsporen tot stilstand had gebracht, niettemin door de tram zou zijn aangereden.

Het bestreden vonnis beweert alleen, zonder enig steekhoudend argument, dat de taxi "er al lang genoeg stond om opgemerkt te kunnen worden door de [aangestelde van de eiseres]", wat geenszins betekent dat het ongeval zou hebben plaatsgevonden indien de taxi niet "te dicht bij de tramsporen" was blijven stilstaan, zodat hij de doorgang van de tram belemmerde.

Het vonnis heeft dus niet wettig kunnen beslissen dat er geen enkel oorzakelijk verband tussen de (mogelijke) fout van de bestuurder en het ongeval kon worden aangenomen (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

De eerste door de verweerster tegen het eerste onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel is niet duidelijk:

Het onderdeel oefent kritiek uit op de beslissing van het bestreden vonnis, volgens welke de aangestelde van de verweerster artikel 12.1. van het Wegverkeersreglement niet heeft overtreden en zelfs niet onvoorzichtig is geweest in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, terwijl de appelrechters vastgesteld hebben dat het voertuig van de verweerster "zich op zijn minst te dicht bij de tramsporen bevond en bijgevolg de doorgang van die tram belemmerde, aangezien [de] tram [...]zijn voertuig heeft geraakt".

Het wijst er aldus op in welk opzicht het bestreden vonnis die wettelijke bepalingen schendt.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet in zoverre worden verworpen.

De tweede, door de verweerster tegen het eerste onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid, in zoverre dat onderdeel de schending aanvoert van artikel 25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen: die bepaling is opgeheven door het koninklijk besluit van 20 december 2007:

Het middel dat schending aanvoert van een opgeheven wettelijke bepaling die van kracht was op het ogenblik dat het litigieuze recht ontstond, is ontvankelijk.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid van het eerste onderdeel

Hoewel de feitenrechter op onaantastbare wijze de omstandigheden vaststelt waaruit hij het bestaan van een fout of van een rechtvaardigingsgrond afleidt, moet het Hof evenwel nagaan of hij uit die vaststellingen een dergelijke gevolgtrekking heeft kunnen maken.

Luidens artikel 12.1. Wegverkeersreglement, moet elke weggebruiker voorrang verlenen aan de spoorvoertuigen; daartoe moet hij zich zo snel mogelijk van de sporen verwijderen.

Krachtens artikel 25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen en betreffende het verkeer op spoorwegen en aanhorigheden, is het, zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de spoorwegexploitant, verboden voertuigen te laten stilstaan of te parkeren op een plaats waar zij de gemakkelijke doorgang van de spoorrijtuigen of de normale werking van de toestellen hinderen of het zicht op de seinen van de spoorweg belemmeren.

Het bestreden vonnis stelt vast "het voertuig van [de verweerster] zich op zijn minst te dicht bij de tramsporen bevond en bijgevolg de doorgang van die tram belemmerde, aangezien [de] tram [...]zijn voertuig heeft geraakt".

Het beslist dat "de aangestelde van de [verweerster] te dezen evenwel geen fout kan worden aangewreven, aangezien het is aangetoond dat [die bestuurder] was blijven staan om zijn klant uit de taxi te laten stappen, kennelijk op het adres dat hij hem had opgegeven; bij het beoordelen van een fout moet evenwel rekening gehouden worden met de feitelijke omstandigheden en de verplichtingen die het rijden in de stad met zich meebrengt; dat veronderstelt toegevingen aan beide kanten en een aangepaste uitlegging van de verkeersregels, of het nu gaat om vervoer per spoor dan wel met de wagen; die toegevingen worden geregeld in artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 15 september 1976; een andersluidende beslissing zou hierop neerkomen dat bepaalde, volkomen normale handelingen van het dagdagelijkse leven, zoals de gewone opdracht van een taxichauffeur, onmogelijk zouden worden gemaakt".

Na te hebben vastgesteld dat de aangestelde van de verweerster artikel 25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 overtreden had, in de daarin vermelde omstandigheden, heeft het bestreden vonnis niet wettig kunnen beslissen dat hij geen fout had begaan door zich uitsluitend te baseren op de hierboven vermelde redenen, daar die geen verantwoordingsgrond kunnen vormen.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede onderdeel

Eerste, door de verweerster tegen het tweede onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel is zonder belang:

Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de door het tweede onderdeel bekritiseerde grond niet overtollig is.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid van het tweede onderdeel

Het bestreden vonnis vermeldt dat "ten overvloede erop gewezen moet worden dat er geen enkel oorzakelijk verband tussen de eventuele fout van de taxichauffeur en het ongeval kan worden aangenomen: de foto's tonen aan dat de straat op de plaats van de botsing recht - of bijna recht - loopt en een goede zichtbaarheid biedt. Het lijdt geen twijfel dat de taxi er al lang genoeg stond om opgemerkt te kunnen worden door de [aangestelde van de eiseres]; laatstgenoemde preciseert overigens in zijn aangifte dat hij de taxi niet kon zien door de plaatsgesteldheid, wat niet strookt met de waarheid. Hij betoogt daarentegen geenszins dat die taxi plots zou zijn gestopt en dat hij hierdoor werd verrast. Zijn aansprakelijkheid is aangetoond, daar het ongeval, zonder zijn fout, zich niet zou hebben voorgedaan zoals het gebeurd is".

Het bestreden vonnis, dat aldus niet vaststelt dat het ongeval, zonder de fout van de aangestelde van de verweerster, niettemin op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de fout en het ongeval.

Het onderdeel is gegrond.

Omvang van de cassatie

Het middel leidt tot de vernietiging van de beslissing volgens welke de aangestelde van de verweerster geen fout heeft begaan, maar raakt niet aan de beslissing dat de aangestelde van de eiseres een fout heeft begaan die in een oorzakelijk verband tot het ongeval staat.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het beslist dat de aangestelde van de eiseres een fout heeft begaan die in een oorzakelijk verband staat tot het ongeval.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 6 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Opgeheven bepaling

  • Ontvankelijkheid