- Arrest van 6 juni 2011

06/06/2011 - S.10.0070.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het loon van de uren van passieve wachtdienst, tijdens welke de werknemer de mogelijke oproepen van de werkgever moet beantwoorden zonder dat hij zich daarbij op een welbepaalde plaats hoeft te bevinden of zijn gebruikelijke arbeidstaken hoeft uit te voeren, dient niet gelijkwaardig te zijn aan dat van de uren werkelijke arbeid.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0070.F

F. B.,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

SUN MICROSYSTEMS BELGIUM nv,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest op 27 oktober 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert één middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 6 van Richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, zowel vóór als na de wijziging ervan bij artikel 1 van Richtlijn 2002/34/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 22 juni 2000;

- artikel 19, tweede lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971;

- de artikelen 3, 20, 3°, en 81, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

- de artikelen 2, 1°, en 3bis van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, artikel 3bis ingevoegd bij de wet van 26 juni 2002.

- Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt eisers vordering tot betaling van een bedrag van 329.379, 15 euro verschuldigd voor de uren wachtdienst (de zogeheten "stand by" uren) die hij gepresteerd heeft in dienst van de verweerster. Als gevolg hiervan stelt het arrest de vervangende opzeggingsvergoeding ten voordele van de eiser vast op basis van een jaarloon van 85.290,77 euro hetgeen minder is dan het werkelijk loon (artikel 81, § 2, van de wet van 3 juli 1978).

Het arrest beslist dat om de volgende redenen:

"De eiser voert tegen dat beroepen vonnis aan dat alle uren tijdens welke hij wachtdienst (als 'stand by') deed, arbeidsuren zijn waarvoor hij recht heeft op een normaal loon, vermeerderd met 150 of met 200 pct., naargelang van het geval.

De situatie van de eiser zoals die aan het arbeidshof is voorgelegd is echter niet dezelfde als die van een arts die in een ziekenhuis wachtdienst verricht waarbij de volledige tijd die hij aanwezig is volgens de normen van Europees recht beschouwd moet worden als arbeidstijd.

(...)

De doorslaggevende factor om het communautaire begrip 'arbeidstijd' in de zin van Richtlijn 93/104/EG te bepalen is dat de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats en er te zijner beschikking moet staan om zonodig onmiddellijk de gepaste diensten te leveren.

Dit is hier duidelijk niet het geval daar de eiser niet fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats en hij bij een oproep binnen de voorgeschreven tijd van twee uren moet interveniëren (cf. onderhoudscontract met zijn werkgever). Die 'stand by' tijd is dus de tijdspanne waarin de eiser bereikbaar moet blijven. Het maakt hierbij niet uit of de 'gewone' arbeidsplaats van de eiser thuis of op kantoor of bij zijn klanten is.

De intensiteit van verrichte prestaties tijdens die wachtdienst heeft niet tot gevolg dat alle uren wachtdienst arbeidstijd zijn. .

Bovendien stelt de richtlijn 93/104/EG de minimumvoorschriften vast betreffende de organisatie van de arbeidstijd die verband houden met de gezondheid en de veiligheid van de werknemers en is ze daartoe beperkt. Ze is niet van toepassing op de verloning van de werknemers, ze heeft geen betrekking op de vergoeding voor de uren wachtdienst (cf. HJEU, 5e kamer, beschikking van 11 januari 2007, Vorel, Zaak C-437/05, J.T.T., 2007, p. 197, punt 32; HJEU, arrest van 9 september 2003, zaak C-151-02, J.T.T., 2004, p. 425, punt 26). (...)

Op nationaal vlak definieert de Belgische Arbeidswet (wet van 16 maart 1971, artikel 19) de arbeidstijd als de tijd gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever.

Hoewel de eiser niet verplicht was te blijven op de door de werkgever aangeduide plaats, vormt het feit dat hij door de werkgever kan worden opgeroepen geen voldoende reden om te besluiten dat de werknemer recht heeft op zijn loon voor de tijd gedurende welke hij geen prestaties verricht heeft (in die zin, Cass. 16 maart 1992). Aldus werd geoordeeld voor een werknemer die per semafoon kan worden opgeroepen (Arbh. Brussel, 9 oktober 1985, R..D.S., 1985, p. 622) en voor een werknemer die per telefoon bereikbaar moet blijven (A.H. Brussel, 12 februari 2008, J.T.T., 2008, p. 406) om aan dringende noden tegemoet te komen. Het arbeidshof deelt dat standpunt.

De clausule van de overeenkomst die voorziet in een vast bedrag voor de uren 'stand by' (dat lager is dan het normale uurloon) onder voorbehoud van de uitbetaling van de gepresteerde overuren (zie de feiten, hierboven), schendt de wet van 16 maart 1971 niet.

Tot slot is de ‘stand by' tijd in casu de tijd gedurende welke de eiser bereikbaar moest blijven maar is noch volgens het Belgisch recht, noch volgens het Europees recht arbeidstijd. Tijdens die wachtdienst die valt onder het stelsel van gewone 'bereikbaarheid' vormen enkel de effectieve prestaties arbeidstijd in de zin van het communautair recht en in de zin van artikel 19 van de Belgische wet van 16 maart 1971.

(...)

De eiser betwist niet voor elke wachtdienst de forfaitaire premie die bij zijn aanwerving werd bepaald (en die sinds 2002 van 15.000 Belgische Frank werd opgetrokken naar 450 euro) alsook de lonen voor de overuren die op zijn loonfiches zijn vermeld, te hebben ontvangen".

Grieven

Naar luid van artikel 19, tweede lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, wordt onder arbeidsduur de tijd verstaan gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever.

In de veronderstelling dat de richtlijn 93/104/EG die op het ogenblik van de feiten van toepassing was, tot doel had de voorschriften voor de veiligheid en de gezondheid betreffende de organisatie van de arbeidstijd en niet de bezoldigingen van de wachtdienst te bepalen, heeft artikel 2 van die richtlijn de arbeidstijd weliswaar gedefinieerd als "de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden uitoefent overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken".

De werknemer die bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden ter beschikking staat van zijn werkgever is werkzaam en heeft het recht om voor dat werk tegen een normaal tarief te worden vergoed.

Artikel 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten legt met name de verplichting op om de werknemer die ter beschikking staat van zijn werkgever te vergoeden en bepaalt dat " de arbeidsovereenkomst voor bedienden de overeenkomst is waarbij een werknemer, de bediende, zich verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever in hoofdzaak hoofdarbeid te verrichten".

Het is overigens doordat hij is aangeworven dat de eiser tijdens de uren wachtdienst ter beschikking stond van zijn werkgever. Hij heeft bijgevolg het recht om voor die wachtdienst te worden vergoed aangezien artikel 2, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers het loon definieert als datgene "waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever".

Artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 preciseert dat de werkgever verplicht is "het loon te betalen" op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen en artikel 3bis van de wet van 12 april 1965, ingevoegd bij de wet van 26 juni 2002 en van kracht op 1 juli 2005 heeft uitdrukkelijk het recht bevestigd van de werknemer "op de betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde loon"

Het arrest stelt vast dat de eiser tijdens zijn wachtdienst "bereikbaar" moest blijven voor de oproepen van zijn werkgever om de onderhoudscontracten waartoe die verbonden was uit te voeren.

Tijdens die uren stond de eiser bijgevolg zeker ter beschikking van de verweerster in de zin van voornoemd artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 maart 1971 en van artikel 6 van de richtlijn 93/104/EG, ook al was hij niet verplicht was te blijven op een door de verweerster aangewezen plaats of al waren zijn geleverde prestaties minder zwaar.

In tegenstelling tot wat het arrest stelt, maakt de wachtdienst tijdens welke de eiser te allen tijde door zijn werkgever kon worden opgeroepen deel uit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waarvoor de eiser zijn normaal loon moest ontvangen.

Het arrest werpt vergeefs op dat de arbeidsovereenkomst van de eiser voor de uren wachtdienst een lager forfaitair bedrag dan het normale uurloon en de betaling van de werkelijk gepresteerde overuren toekent. De uren wachtdienst moeten immers worden beschouwd als tijd gedurende welke de eiser in dienst was van de verweerster voor de functies waarvoor hij was aangeworven en bijgevolg mag de eiser voor al die uren op normaal loon aanspraak maken.

De verweerster had trouwens geen reden om voor de uren wachtdienst een forfaitaire vergoeding toe te kennen als ze er zelf niet van uitging dat de eiser tijdens die uren tot haar beschikking stond en dus niet vrij over zijn tijd kon beschikken.

Het feit dat de eiser het bewijs niet levert dat hij het loon voor de " werkelijk gepresteerde" overuren tijdens zijn wachtdienst niet zou hebben ontvangen is niet pertinent. Zoals hierboven vermeld, bepalen artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 maart 1971 en artikel 6 van de richtlijn 93/104/EG immers dat de uitvoering van de werkzaamheden wordt voortgezet gedurende de volledige tijd die de werknemer ter beschikking van de werkgever staat. De eiser heeft bijgevolg recht op zijn normale loon voor de volledige tijd die hij van wacht was, ongeacht of die wachtdienst al dan niet heeft geleid tot effectief gepresteerde "overuren".

Hieruit volgt dat het arrest de vordering van een bedrag van 329.379, 15 euro voor het presteren van overuren tijdens de wachtdiensten niet naar recht kon verwerpen en bijgevolg ook niet op wettige wijze de vervangende opzeggingsvergoeding kon berekenen waarop de eiser recht had omdat het niet het bewijs levert dat hij werkelijke prestaties verrichtte waarvoor de verloning het forfaitaire bedrag dat hem was toegewezen voor die "stand by" tijd zou overschrijden (schending van alle wettelijke bepalingen die vooraan in het middel staan vermeld).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Luidens artikel 6 van de richtlijn nr. 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, zoals van toepassing op de feiten, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers:

1. de wekelijkse arbeidstijd via wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of via collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners wordt beperkt;

2. de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uren bedraagt.

Artikel 19, tweede lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt dat onder arbeidsduur de tijd wordt verstaan gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever.

Noch uit die bepalingen noch uit andere bepalingen waarvan het middel de schending aanvoert blijkt dat de verloning voor de niet-actieve uren wachtdienst tijdens welke de werknemer verplicht was om eventuele oproepen van zijn werkgever te beantwoorden zonder dat hij zich op een precieze plaats moest bevinden of nog zijn gebruikelijke arbeidswerkzaamheden moest vervullen, moet worden gelijkgesteld met die van effectieve arbeidsuren.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de voorziening;

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, als voorzitter, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bescherming

  • Arbeidsovereenkomst

  • Arbeid

  • Arbeidsduur

  • Uren van passieve wachtdienst