- Arrest van 7 juni 2011

07/06/2011 - P.11.0494.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De procureur des Konings kan op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie verlengen; dergelijke verlenging vereist evenwel een nog van kracht zijnde machtiging tot observatie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0494.N

I

A. O. B. C.,

beklaagde,

eiser.

II

CONSULTING & PROSPECTION INTERNATIONAL nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Tabaksvest 95/5,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Filiep Deruyck, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 februari 2011.

De eiser I voert geen middel aan.

De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel van de eiseres II

1. Het middel voert schending aan van artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering: het arrest dat beslist dat het begrip "verlenging" in de zin van artikel 47sexies, § 6, Wetboek van Strafvordering niet inhoudt dat de periode waarvoor wordt verlengd, dient aan te sluiten bij de initieel gemachtigde periode, geeft aan dit begrip een uitleg die met de gewone betekenis ervan niet verenigbaar is.

2. Het arrest (p. 7-8) oordeelt met betrekking tot de observatie van 23 september 2004 onder meer dat:

- de in het proces-verbaal van uitvoering van 15 oktober 2004 initieel weergegeven datum van uitvoering van de observatie en de periode waarin deze observatie kon worden uitgevoerd materiële vergissingen bevat die werden rechtgezet in het eerste aanvullend proces-verbaal van 21 oktober 2010 (ro 3.10.1);

- met dit aanvullend proces-verbaal van 21 oktober 2010 werd aangegeven dat op 16 september 2004 een verlenging van de machtiging tot observatie werd toegestaan vanaf 19 september 2004 voor een periode van 1 maand en dat de datum van observatie van 24 september 2004 als 23 september 2004 diende te worden gelezen (ro 3.10.1);

- artikel 47sexies, § 6, Wetboek van Strafvordering niet uitsluit dat de federale procureur op 16 augustus 2004 de initiële machtiging kon verlengen voor een periode van één maand die in de tijd niet aansluit op de periode waarvoor initieel een machtiging tot observatie werd verleend, mits de voorwaarden van artikel 47sexies, § 1 tot § 3, Wetboek van Strafvordering waren vervuld en hij handelde overeenkomstig artikel 47sexies, § 3, 1° tot en met 6°, Wetboek van Strafvordering (ro 3.10.3);

- het door de eiseres II in appelconclusie aangevoerd verweer als zou de in het aanvullend proces-verbaal van 21 oktober 2010 genoemde verlenging op 19 augustus 2004 van de initiële machtiging, geen verlenging zijn maar een totaal nieuwe machtiging wegens het verstrijken van meer dan twee maanden sinds de initiële periode waarvoor machtiging is verleend, ongegrond is (ro 3.10.3).

3. Artikel 47sexies, § 6, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de procureur des Konings steeds op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie kan verlengen.

Bij afwezigheid van een wettelijke omschrijving van het begrip verlengen, moet dit begrip in zijn gewone betekenis worden uitgelegd, dit wil zeggen in de betekenis van langer laten duren. Iets wat niet meer is, kan niet worden verlengd.

Verlengen in de zin van artikel 47sexies, § 6, Wetboek van Strafvordering vereist derhalve een nog van kracht zijnde machtiging tot observatie.

4. Het arrest (ro 3.10.3) dat oordeelt dat de federale procureur de initiële machtiging tot observatie kon verlengen niettegenstaande het verstrijken van de periode tijdens dewelke de initieel gemachtigde observatie kon worden uitgevoerd, geeft aan het begrip verlengen in de zin van artikel 47sexies, § 6, Wetboek van Strafvordering, een uitlegging die met de gewone betekenis ervan niet verenigbaar is.

De op dat oordeel gesteunde beslissing dat de observatie van 23 september 2004 regelmatig is, is niet naar recht verantwoord.

5. Het arrest (ro 3.16) grondt het oordeel dat de observatie van 23 oktober 2004 regelmatig is mede op de met betrekking tot de observatie van 23 september 2004 gemaakte vaststelling dat de federale procureur de initiële machtiging tot observatie kon verlengen niettegenstaande het reeds verstreken zijn van de periode tijdens dewelke de initieel gemachtigde observatie kon worden uitgevoerd (ro 3.10.3).

Bijgevolg is ook de beslissing dat de observatie van 23 oktober 2004 regelmatig is, niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Overige middelen van de eiseres II

6. De overige middelen, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Ambtshalve middel met betrekking tot de eiser I

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering

7. Het arrest grondt het oordeel omtrent de regelmatigheid van de observatie van 23 september 2004 onder meer op de vaststelling dat de federale procureur de initiële machtiging tot observatie kon verlengen niettegenstaande het reeds verstreken zijn van de periode tijdens dewelke de initieel gemachtigde observatie kon worden uitgevoerd.

8. Om de redenen vermeld als antwoord op het tweede middel van de eiseres II, is die beslissing en de beslissing omtrent de observatie van 23 oktober 2004 niet naar recht verantwoord.

Ambtshalve onderzoek voor het overige

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de observaties van 23 september 2004 en 23 oktober 2004.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eiser I en de eiseres II in een derde van de kosten van hun cassatieberoep.

Laat de overige twee derden ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus de beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten in het geheel op 216,16 euro waarvan de eiser I en eiseres II elk 108,08 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 7 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Bijzondere opsporingsmethode van observatie

  • Machtiging tot observatie

  • Verlenging