- Arrest van 7 juni 2011

07/06/2011 - P.11.0999.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vermelding in het bevel tot aanhouding van het tijdstip waarop het aan de verdachte is betekend, is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0999.N

T. G. A. D.,

verdachte, aangehouden,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Frank Vandewalle en mr. Patrick Waeterinckx, advocaten bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft: het arrest antwoordt niet op het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer dat gesteund is op de schending van artikel 78 Wetboek van Strafvordering.

2. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

3. Zonder daarbij gewag te maken van een schending van artikel 78 Wetboek van Strafvordering, voerde de eiser in zijn appelconclusie aan dat ingevolge de niet-geparafeerde wijziging van de vermelding van het tijdstip van de betekening van het aanhoudingsbevel, de controle van het juiste tijdstip onmogelijk is en de uitoefening van zijn recht van verdediging daardoor onmogelijk wordt gemaakt.

Met de redenen die het bevat (p. 2, ro 3.1), verwerpt en beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 78 Wetboek van Strafvordering en artikel 18 Voorlopige Hechteniswet: daar de overschrijving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vermelding van het tijdstip waarop het aanhoudingsbevel aan de eiser is betekend, niet is goedgekeurd, moet die vermelding in de akte van betekening worden gelezen als "10u55", zodat het arrest niet wettig oordeelt dat de eiser werd aangehouden binnen vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming.

5. Artikel 18, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het bevel tot aanhouding aan de verdachte wordt betekend binnen vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming of, indien het bevel tot aanhouding verleend wordt tegen een verdachte die op grond van een bevel tot medebrenging reeds aangehouden is, te rekenen van de betekening van dit bevel.

Volgens het tweede lid van die bepaling geschiedt de betekening door de griffier van de onderzoeksrechter, door de directeur van de strafinrichting of door een agent van de openbare macht.

Krachtens artikel 18, § 1, derde lid, Voorlopige Hechteniswet bestaat de betekening in het mondeling meedelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging, met afgifte van een volledig afschrift van de akte, moet het bevel tot aanhouding aan de verdachte worden vertoond, zelfs indien hij zich reeds in hechtenis bevindt, en moet hem daarvan afschrift worden gegeven.

Uit de voormelde bepalingen volgt niet dat de vermelding in het bevel tot aanhouding van het tijdstip waarop het aan de verdachte is betekend, op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Dit volgt evenmin uit de omstandigheid dat de handhaving van de voorlopige hechtenis van een verdachte niet kan worden bevolen, wanneer uit de stukken van de rechtspleging niet blijkt dat het aanhoudingsbevel aan die verdachte werd betekend binnen vierentwintig uren te rekenen van zijn vrijheidsbeneming. Het bestaan en de regelmatigheid van de betekening kunnen door het onderzoeksgerecht ook aan de hand van andere stukken worden vastgesteld.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

6. Het onderzoeksgerecht dat de wettigheid van het bevel tot aanhouding moet nagaan, vermag verschrijvingen met betrekking tot het verlenen of het betekenen van dit bevel vast te stellen.

7. Het arrest stelt onaantastbaar vast dat uit de samenhang van de vermeldingen van de betekening en van de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel van 11 mei 2011 duidelijk blijkt dat de betekening is gebeurd op 11 mei 2011 om 10.50 uur.

Het arrest geeft hiermee te kennen dat de vermelding in het aanhoudingsbevel dat de betekening is gebeurd om 10.55 uur op een materiële vergissing berust en oordeelt op die grond wettig, zonder schending van artikel 78 Wetboek van Strafvordering, dat het aanhoudingsbevel aan de eiser werd betekend binnen vierentwintig uren te rekenen van zijn vrijheidsbeneming om 10.55 uur op 10 mei 2011.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 53,99 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 7 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Betekening

  • Vermelding van het tijdstip van betekening