- Arrest van 7 juni 2011

07/06/2011 - P.11.0172.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Belgische strafgerechten zijn in de regel bevoegd om uitspraak te doen over een misdrijf waarvan één van de constitutieve bestanddelen op het Belgische grondgebied is gelokaliseerd (1). (1) Zie Cass. 23 jan. 1979, AC, 1978-1979, 575; Cass. 4 feb. 1986, AR 9720, AC, 1985-1986, nr. 355

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0172.N

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN

eiser,

tegen

1. E. D. W.,

burgerlijke partij,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. J. T.,

inverdenkinggestelde,

3. J. P. B.,

inverdenkinggestelde,

4. J. H. M. B.,

inverdenkinggestelde,

5. UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM, met zetel te 3584 CX Utrecht (Nederland), Heidelberglaan 100,

inverdenkinggestelde,

6. UMC UTRECHT HOLDING, met zetel te 3584 CM Utrecht (Nederland), Yalelaan 40,

inverdenkinggestelde,

7. ELENA bv, met zetel te 3584 CM Utrecht (Nederland), Yalelaan 44,

inverdenkinggestelde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. In zoverre het arrest uitspraak doet met toepassing van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering, bevat het geen eindbeslissing en valt het evenmin onder één van de gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Het cassatieberoep is in zoverre niet ontvankelijk.

2. De verweerder 1 werpt op dat het cassatieberoep hem niet is betekend, terwijl hij een partij is tegen wie het cassatieberoep is gericht. Op die grond zou het cassatieberoep niet ontvankelijk zijn.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het cassatieberoep aan de verweerder 1 is betekend.

De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 3, 193, 196 en 197 Strafwetboek en artikel 62bis Wetboek van Strafvordering.

4. De Belgische strafgerechten zijn in de regel bevoegd om uitspraak te doen over een misdrijf waarvan één van de constitutieve bestanddelen op het Belgische grondgebied is gelokaliseerd.

Het mogelijke nadeel als constitutief bestanddeel van de misdrijven valsheid in geschriften en gebruik, dit is de potentiële schade ingevolge die valsheid op het ogenblik van het plegen van de valsheid en ingevolge dit gebruik op het ogenblik van het gebruik, kan door zijn aard niet worden aangewend om deze misdrijven te lokaliseren.

5. Het arrest omschrijft de handelingen of verzuimen van "het opzettelijk aannemen van een valse hoedanigheid en vervalsing van geschriften bij het ondertekenen op 28 oktober 2005 van octrooiaanvragen bij het US Patent and Trademark Office" en "door in een brief van 28 november 2005 gericht aan het Europese Octrooibureau te stellen dat Dr. D. W. niet de enige uitvinder was, dat drie andere uitvinders hadden moeten worden vernoemd, allen werknemers van het Universitair Medisch Centrum te Utrecht en dat overeenkomstig Nederlands recht de uitvinding(en) derhalve moeten worden beschouwd als behoren(d) aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht, tenminste in mede-eigendom" als gedragingen die, indien bewezen, worden gesanctioneerd door de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek.

Het arrest dat oordeelt dat "Indien bewezen, doet de concrete uitwerking van de uitvinding van de burgerlijke partij zich voor te Mortsel en is dit de plaats waar de schade zich mogelijk voordoet. Deze materiële bestanddelen van genoemde misdaad situeren zich dan ook in België", verantwoordt zijn beslissing niet naar recht omtrent de lokalisering van deze misdrijven in België (Mortsel), de erop gesteunde vaststelling dat de Belgische strafrechter kennis kan nemen van alle elementen van het misdrijf die een ondeelbaar geheel vormen met het misdrijf dat op het Belgisch grondgebied is gepleegd en de vaststelling van de bevoegdheid van de onderzoeksrechter te Antwerpen.

Tweede middel

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 4 Strafwetboek en de artikelen 10, 5°, en 12 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest grondt de bevoegdheid van de Belgische strafgerechten om kennis te nemen van de aan de inverdenkinggestelden verweten gedragingen op artikel 10, 5°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zonder vast te stellen dat zij, zoals vereist door artikel 12, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in België werden gevonden.

7. Artikel 12, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat behoudens in de gevallen van artikel 6, 1°, 1°bis en 2°, artikel 12bis, alsmede van artikel 10bis, de vervolging van de misdrijven waarvan sprake in het hoofdstuk II Strafvordering wegens misdaden of wanbedrijven buiten het grondgebied van het Rijk gepleegd, alleen plaats heeft wanneer de verdachte in België wordt gevonden.

8. Het arrest (ro 3.4.4 en 3.5.1.2) grondt zijn oordeel omtrent de bevoegdheid van de Belgische strafgerechten onder meer op de volgende vaststellingen:

- een vreemdeling kan krachtens artikel 10, 5°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden vervolgd, wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een misdaad tegen een Belgische onderdaan, indien het feit strafbaar is krachtens de wetgeving van het land waar het gepleegd werd met een straf waarvan het maximum vijf jaar vrijheidsberoving overtreft;

- in Nederland wordt valsheid strafrechtelijk gesanctioneerd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar.

Het arrest stelt, spijts de op dat punt opgeworpen betwisting, evenwel niet vast dat de inverdenkinggestelde vreemdelingen op het ogenblik van het instellen van de strafvordering in België werden gevonden. Aldus verantwoordt het arrest niet naar recht zijn beslissing omtrent de bevoegdheid van de Belgische strafgerechten.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

9. De overige grieven kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven geen antwoord.

Omvang van de cassatie

10. De vernietiging van het arrest wat betreft de bevoegdheid van de Belgische strafgerechten en van de onderzoeksrechter te Antwerpen brengt de vernietiging mee van de daarop gesteunde beslissing over de bij toepassing van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering gevraagde onderzoekshandelingen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten op 387,90 euro

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 7 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Bevoegdheid ratione loci

  • Bestanddeel van het misdrijf in België gelokaliseerd

  • Bevoegdheid van de Belgische strafgerechten