- Arrest van 7 juni 2011

07/06/2011 - P.10.1850.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Fiscale ambtenaren die bij een politionele of gerechtelijke overheid klacht indienen of zich bij de rechter burgerlijke partij stellen wegens niet-fiscale misdrijven waarvan zij ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt het slachtoffer zouden zijn, handelen niet buiten de uitoefening van hun ambt in de zin van artikel 337, eerste lid, WIB92, zodat zij dan ook, zonder het fiscaal beroepsgeheim te schenden, aan die politionele of gerechtelijke overheid of aan de rechter alle met betrekking tot die misdrijven relevante informatie en documenten mogen bezorgen (1). (1) Zie Cass. 20 okt. 2009, AR P.09.0846.N, AC, 2009, nr. 596 met conclusie O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1850.N

1. G. W.,

beklaagde,

2. N. P. V. D. B.,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie te Veurne,

tegen

1. G. V.,

burgerlijke partij,

2. J. S.,

burgerlijke partij,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 27 oktober 2010.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart met betrekking tot het feit A de strafvordering niet ontvankelijk voor wat betreft de periode vanaf 25 december 2007 tot 21 juli 2008.

De tegen die beslissing gerichte cassatieberoepen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest maakt geen melding van artikel 442bis Strafwetboek, wetsbepaling die de bestanddelen van het aan de eisers verweten misdrijf en de bestraffing ervan omschrijft.

3. Het arrest (p. 8) verwijst naar de in het beroepen vonnis aangehaalde wetsbepalingen. Het beroepen vonnis (p. 9) vermeldt artikel 442bis Strafwetboek bij de toegepaste wettelijke bepalingen. Aldus vermeldt het arrest wel degelijk artikel 442bis Strafwetboek.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en miskenning van het recht van verdediging en het beginsel van tegenspraak: het arrest weigert ten onrechte de voeging van het strafdossier dat is aangelegd naar aanleiding van de klacht met burgerlijkepartijstelling door de eisers; het arrest houdt rekening met verklaringen die in dit ander dossier zijn afgelegd zonder na te gaan of die tot dit ander dossier behorende stukken regelmatig zijn verkregen en aan tegenspraak onderworpen.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers voor de appelrechters hebben aangevoerd dat tot het voorliggende strafdossier behorende stukken, die zijn ontleend aan een ander strafdossier, niet regelmatig zouden zijn verkregen of niet aan tegenspraak zouden zijn onderworpen.

Het middel is nieuw en dus niet ontvankelijk.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 337 en 463 WIB92, evenals miskenning van het recht van verdediging: het arrest weigert ten onrechte de onder het fiscaal beroepsgeheim vallende stukken die door de verweerders werden aangewend om de aangifte te staven, uit het strafdossier te verwijderen; het arrest miskent door de niet-wering van deze selectief door de verweerders voorgelegde stukken bovendien het recht van verdediging van de eisers.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers voor de appelrechters hebben aangevoerd dat de verweerders een selectie hebben gemaakt van de volgens hen meest bezwarende stukken uit de fiscale dossiers van de eisers en zo hun recht van verdediging hebben geschonden.

Het middel is in zoverre nieuw en dus niet ontvankelijk.

8. Artikel 337, eerste lid, WIB92 bepaalt dat hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van de belastingwetten of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie der directe belastingen, buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht is tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft.

9. Fiscale ambtenaren die bij een politionele of gerechtelijke overheid klacht indienen of zich bij de rechter burgerlijke partij stellen wegens niet-fiscale misdrijven waarvan zij ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt het slachtoffer zouden zijn, handelen niet buiten de uitoefening van hun ambt in de zin van artikel 337, eerste lid, WIB92. Zij mogen dan ook, zonder het fiscaal beroepsgeheim te schenden, aan die politionele of gerechtelijke overheid of aan de rechter alle met betrekking tot die misdrijven relevante informatie en documenten bezorgen.

Het middel dat uitgaat van een andere opvatting, faalt in zoverre naar recht.

10. Het arrest (p. 5-6) oordeelt onder meer dat:

- artikel 337 WIB92 noch artikel 458 Strafwetboek ambtenaren van de fiscale administratie belet aangifte te doen van niet-fiscale wanbedrijven of misdaden, waarvan zij naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt kennis hebben gekregen, ook als zijzelf slachtoffer zijn van deze misdrijven;

- het beroepsgeheim van fiscale ambtenaren niet belet dat zij tijdens het gerechtelijk onderzoek of voor de feitenrechter stukken aanwenden die het voorwerp uitmaken van het aangeklaagde misdrijf, hebben gediend of werden aangewend om het misdrijf uit te voeren of die de feitelijke omstandigheden kunnen toe¬lichten waarin het misdrijf werd gepleegd.

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 442bis Strafwetboek: het arrest heeft de eisers ten onrechte schuldig verklaard aan belaging; in het kader van een fiscaal verweer gestelde handelingen en het in dat verband overmaken van documenten viseren geen bepaald persoon maar de administratieve overheid als dusdanig en kunnen dan ook de rust van een bepaald persoon niet verstoren en bijgevolg geen belaging uitmaken.

12. Artikel 442bis, eerste lid, Strafwetboek bestraft het belagen van een persoon terwijl de dader wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren.

Deze bepaling bestraft aldus hij die door niet-aflatende of steeds terugkerende gedragingen, iemands persoonlijke levenssfeer ernstig aantast door hem op irritante wijze lastig te gevallen, daar waar hij dit gevolg van zijn gedrag kende of had moeten kennen.

13. De omstandigheid dat een burger een geschil heeft met een overheid sluit niet uit hij door zijn gedrag de rust van personeelsleden van die overheid ernstig kan verstoren.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

14. De rechter oordeelt in feite of de rust van een bepaald persoon door het gedrag van de dader ernstig is verstoord. Het Hof gaat alleen na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

15. Het arrest (p. 6) stelt onaantastbaar vast dat de eisers een voortdurende en onophoudelijke stroom van verzonnen en niet-relevante verwijten en beschuldigingen hebben gericht tot en verstuurd aan de verweerders, tot zelfs naar hun privé-adres, zowel door middel van elektronische als gewone of aangetekende post en zowel in het kader van de fiscale controle-, aanslag- en bezwaarprocedures als daarbuiten. Aldus is de beslissing dat handelingen gesteld naar aanleiding van een fiscaal verweer belaging vormen wanneer de rust van de betrokken ambtenaren ernstig wordt verstoord door persoonlijke aanvallen die de grenzen van een normaal fiscaal verweer veruit overstijgen en dat de telastlegging A voor de periode van 7 februari 2003 tot en met 24 december 2007 lastens de eisers bewezen is, naar recht verantwoord.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vijfde middel

16. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest is niet met redenen omkleed omdat het niet vermeldt waarom het aan de eiser zowel een hoofdgevangenisstraf als een geldboete oplegt.

17. Volgens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet de rechter nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermelden wat betreft de keuze en de maat van de uitgesproken straffen, zo de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat.

Artikel 442bis Strafwetboek laat de rechter toe aan zij die aan belaging zijn schuldig verklaard hetzij een gevangenisstraf hetzij een geldboete hetzij beide op te leggen.

18. Het arrest (p. 6) oordeelt dat de door de eerste rechter aan de eiser opgelegde straf wettelijk en oordeelkundig is bepaald. Het beroepen vonnis verantwoordt eisers veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf en een geldboete door de noodzaak hem het onaanvaardbare van zijn handelen te doen inzien. Het arrest verantwoordt de aan de eiser opgelegde bestraffing door te wijzen op de ernst en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten en de asociale persoonlijkheid van de beklaagde, die geen respect betoont voor de rust en de psychische integriteit van anderen. Aldus hebben de appelrechters hun beslissing om de eiser niet alleen tot een hoofdgevangenisstraf maar ook tot geldboete te veroordelen afdoende met redenen omkleed.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op 72,80 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 7 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Fiscale ambtenaren

  • Slachtoffer van een niet-fiscaal misdrijf ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt

  • Klacht of burgerlijke partijstelling

  • Aard van het optreden