- Arrest van 7 juni 2011

07/06/2011 - P.11.0090.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een formele verplichting, zodat wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, dit geen motiveringsgebrek maar wel een schending van de wet oplevert (1). (1) Zie: Cass. 18 juni 1985, AR 9596, AC, 1984-1985, nr. 634; Zie: Concl. proc.-gen. J. DU JARDIN, Cass. volt. zitting, 7 december 2001, AR C.99.0442.F, AC, 2001, nr. 681

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0090.N

D. J. B.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Benny Welkenhuysen, advocaat bij de balie te Leuven,

tegen

FORTIS BANK nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 1, 2, 4, 7 en 16 van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen (hierna Boekhoudwet): het arrest oordeelt ten onrechte dat de telastlegging E (overtreding van de Boekhoudwet) slechts wetens handelen vereist; om de opgelegde straf te verantwoorden, vereist die inbreuk geen algemeen, maar wel een bijzonder opzet; hierdoor is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed.

2. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een formele verplichting. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek.

In zoverre het middel miskenning van de motiveringsplicht aanvoert, faalt het naar recht.

3. Artikel 16 Boekhoudwet bepaalt: "Met geldboete van vijftig tot tienduizend euro worden gestraft de natuurlijke personen die koopman zijn en de bestuurders, zaakvoerders, directeurs en procuratiehouders van rechtspersonen, die wetens de bepalingen overtreden van de artikelen 2 en 3, eerste en derde lid, van de artikelen 4 tot 9 of van de ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, van artikel 9, § 2, van artikel 7, § 2, en van de artikelen 10 en 11 genomen besluiten. Zij worden gestraft met gevangenisstraffen van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig tot tienduizend euro of met één van die straffen alleen, als zij met bedrieglijk opzet hebben gehandeld."

4. Uit die bepaling volgt dat wanneer de beklaagde de overtreding op de in dat artikel vermelde bepalingen wetens pleegt, hij strafbaar is en dat wanneer hij met bedrieglijk opzet handelt, hij een zwaardere straf oploopt. Bijgevolg vereist de overtreding slechts een algemeen opzet om strafbaar te zijn.

In zoverre faalt het middel evenzeer naar recht.

5. Verder belet het algemeen opzet vereist opdat het feit voorwerp van de telastlegging E strafbaar zou zijn, niet dat het arrest voor alle bewezen verklaarde telastleggingen samen een straf uitspreekt zoals deze die het uitspreekt. Die straf is naar recht verantwoord wegens de bewezen verklaarde telastlegging A (verduistering van activa) welke voor de bewezen verklaarde telastleggingen de zwaarste straf met zich meebrengt.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert een "foutieve weergave gevangenisstraf" aan alsmede miskenning van het vertrouwensbeginsel: het arrest oordeelt ten onrechte dat het beroepen vonnis niet voor kritiek vatbaar is in zoverre het aan de eiser uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden verleent; het beroepen vonnis veroordeelt de eiser tot een gevangenisstraf van zes maanden met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende drie jaar.

7. De aangevoerde grief is vreemd aan het vertrouwensbeginsel.

In zoverre faalt het middel naar recht.

8. Het beroepen vonnis veroordeelt de eiser onder meer tot een gevangenisstraf van zes maanden met uitstel van de tenuitvoerlegging ervan gedurende drie jaar, en een geldboete van 200 euro, gebracht op 1.100 euro door verhoging met 45 opcentiemen.

Het arrest oordeelt dat die straf wettig en passend is en moet worden bevestigd.

Het oordeelt verder dat het beroepen vonnis eveneens te bevestigen is in zoverre aan de eiser uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden werd verleend gedurende een termijn van drie jaar.

9. De context van deze redenen wijzen erop dat die vermelding van een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden een verschrijving is en dient gelezen te worden als een hoofdgevangenisstraf van zes maanden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 85,34 euro.

V. Kosynsky

P. Hoet F. Van Volsem

K. Mestdagh P. Maffei

E. Goethals

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 7 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met

Vrije woorden

  • Artikel 149, Grondwet

  • Motiveringsplicht

  • Aard

  • Onjuiste motivering in rechte