- Arrest van 8 juni 2011

08/06/2011 - P.11.0181.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter kan een laattijdig ingediende conclusie uit het debat weren door ze als misbruik van de rechtspleging aan te merken op grond dat zij een goede rechtsbedeling verhindert, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze schendt en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang brengt (1). (1) Cass. 16 juni 2004, AR P.04.0623.F, AC, 2004, nr. 331.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0181.F

I. SCIERIE DES CARRIERES DE MAFFLE, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

II. SCIERIE DES CARRIERES DE MAFFLE,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

beide cassatieberoepen tegen

1. P. D. e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 8 december 2010.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van 22 december 2010

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de strafvordering en de vordering tot uitvoering van de verbouwingswerken van de vijfde verweerder.

Eerste middel

De eiseres verwijt de appelrechters dat zij de voor haar op de pleitzitting neergelegde conclusie hebben geweerd, zonder daarbij het zuiver dilatoire karakter van die laattijdige mededeling naar recht vast te stellen.

De rechter kan een laattijdig ingediende conclusie uit het debat weren door ze als een misbruik van de rechtspleging aan te merken op grond dat zij een goede rechtsbedeling verhindert, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze schendt en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang brengt.

Het arrest wijst erop dat de zaak verschillende keren werd verdaagd, dat de zaak een laatste maal voor meer dan vier maanden werd uitgesteld naar een pleitzitting, dat de eiseres wist dat de zaak ten gronde zou worden onderzocht en dat zij de dag heeft afgewacht van de rechtszitting die aan dat onderzoek zou worden gewijd om een conclusie in te dienen waarvan de omvang en de laattijdigheid haar tegenpartijen hebben verrast.

De appelrechters oordelen dat die houding het beginsel van een loyaal debat op tegenspraak miskende en op de intentie wees om het proces nodeloos te rekken.

Het hof van beroep dat de conclusie van de eiseres om die redenen afwijst, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiseres voert aan dat haar veroordeling steunt op een exploitatievergunning die onwettig is, aangezien het college van burgemeester en schepenen haar die vergunning heeft verleend zonder een technisch-economische studie op te leggen waarbij zou worden nagegaan in hoeverre de investeringen die de vermindering beogen van de geluidsemissies en van de daarmee gepaard gaande voorspelbare geluidsniveaus, haalbaar zijn.

Volgens de eiseres had die studie moeten worden voorgeschreven, overeenkomstig artikel 26, § 1, van het besluit van de Waalse regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.

Het middel berust op de bewering dat de eiseres een inrichting exploiteert waarvoor, vóór de inwerkingtreding van het voormelde besluit, een vergunning was verleend en die bij de indiening van het dossier niet voldeed aan de grenswaarden van de geluidsniveaus die in woongebieden zijn toegestaan.

De eiseres leidt daaruit af dat, bij gebrek aan een voorafgaande studie die haar gunstiger bijzondere voorwaarden had kunnen opleveren, de vergunning onwettig is zodat zij niet mag worden toegepast overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, en de vervolging ongegrond moest worden verklaard.

Enerzijds is de bewering van de eiseres volgens welke zij, alvorens de milieuvergunning aan te vragen, de toenmalige geluidsnormen niet in acht nam, een premisse die geen steun vindt in de vaststellingen van het arrest en waarvan het onderzoek de bevoegdheid van het Hof overschrijdt.

Anderzijds kan de onwettigheid die de eiseres aan de exploitatievergunning toeschrijft, in de veronderstelling dat zij bewezen is, de schuldigverklaring niet beletten noch de grondslag van de straf wegnemen.

De eiseres werd immers vervolgd wegens het feit dat zij, in de hoedanigheid van exploitante van een inrichting van klasse 2, noch de in de milieuvergunning voorgeschreven werktijden, noch de algemene grenswaarden voor geluidsniveaus die van toepassing zijn op dergelijke inrichtingen, heeft nageleefd.

De tijdsblokken waarbinnen de vergunning de industriële bedrijvigheid van de eiseres houdt, zijn geen algemene norm in de zin van artikel 4 van het decreet van 11 maart 1999 van de Waalse gewestraad betreffende de milieuvergunning en vallen dus buiten de studie van het niveau van de geluidsemissies.

Bijgevolg heeft het aangeklaagde verzuim geen gevolgen voor de strafrechtelijke veroordeling in zoverre zij steunt op de herhaalde overtredingen van de exploitatie-uren.

In zoverre het middel recht en feit vermengt en geen belang heeft, is het niet-ontvankelijk.

Voor het overige heeft de niet-toepassing van een overheidsbeslissing krachtens artikel 159 Grondwet alleen tot gevolg dat er voor de betrokkenen geen recht of verbintenis ontstaat.

De aan de eiseres ten laste gelegde onwettigheid van haar eigen exploitatievergunning kent haar niet het recht toe om de grenswaarden te overschrijden van de geluidsniveaus die zijn vastgelegd in het besluit van de Waalse regering van 4 juli 2002, waarvan de conformiteit met het decreet niet wordt betwist.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, op de burgerlijke rechtsvordering van de echtgenoten P. D. en D. P. uitspraak doet over

a. het beginsel van de aansprakelijkheid

De eiseres voert geen bijzonder middel aan.

b. de omvang van de schade

Het arrest kent de verweerders een provisionele schadevergoeding toe en bevestigt het door de eerste rechter bevolen deskundigenonderzoek alsook zijn beslissing om de uitspraak aan te houden.

Een dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, en valt niet onder de in het tweede lid van dat artikel bepaalde gevallen.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

3. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de echtgenoten A. L. en C. V.

De eiseres voert geen bijzonder middel aan.

B. Cassatieberoep van 23 december 2010

Een partij kan in de regel geen tweede maal cassatieberoep instellen tegen eenzelfde beslissing, ook niet als het tweede cassatieberoep werd ingesteld vooraleer over het eerste uitspraak werd gedaan en zelfs als de tweede verklaring van cassatieberoep, zoals te dezen, het eerste cassatieberoep wil rechtzetten.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 8 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Neerlegging van conclusie

  • Laattijdige neerlegging

  • Misbruik van de rechtspleging