- Arrest van 8 juni 2011

08/06/2011 - P.11.0516.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Vermits de ondervraging van de beschuldigde door de voorzitter facultatief is, oordeelt laatstgenoemde krachtens zijn discretionaire bevoegdheid, of die ondervraging al dan niet nuttig is om de waarheid aan het licht te brengen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0516.F

I. L. O. K.,

Mrs. Yannick De Vlaeminck, Pierre Monville en Barbara Huylebroek, advocaten bij de balie te Brussel,

II. J. P. K.,

Mrs. Gabie-Ange Mindana, Catherine Toussaint en Stéphanie Roussel, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad, van 20 december 2010.

De eerste eiser voert één middel en de tweede twee middelen aan, ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de eerste eiser

Eerste middel

Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM. Het voert eveneens schending aan van artikel 319, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals het van toepassing was op het ogenblik waarop het arrest tot verwijzing werd gewezen. Naar luid van die wetsbepaling, waarvan de inhoud in het nieuw artikel 301, eerste lid, van hetzelfde wetboek is overgenomen, kan de voorzitter aan een getuige en een beschuldigde alle ophelderingen vragen die hij nodig acht om de waarheid aan het licht te brengen.

De eiser voert aan dat uit de stukken van de rechtspleging niet blijkt dat hij door de voorzitter is ondervraagd. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 november 2010 vermeldt dat verhoor inderdaad niet terwijl het wel melding maakt van het verhoor van de tweede beschuldigde.

De ondervraging van de beschuldigde is facultatief. De rechter oordeelt, krachtens zijn discretionaire bevoegdheid, of die ondervraging al dan niet nuttig is om de waarheid aan het licht te brengen. De aangevoerde wetsbepaling vereist dus niet dat de beschuldigde wordt verhoord en zij regelt noch de inhoud noch de vorm van het verhoor, noch het ogenblik waarop het moet worden afgenomen.

In zoverre het middel schending aanvoert van het voormelde artikel 319, eerste lid, faalt het bijgevolg naar recht.

Voor het overige blijkt uit de stukken van de rechtspleging niet dat de voorzitter de eiser het recht zou ontzegd hebben om over de hem ten laste gelegde feiten te worden gehoord. Uit het feit dat zijn ondervraging niet vermeld wordt in het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 november 2010, kan het Hof niet afleiden dat de eiser in de loop van het onderzoek op de rechtszitting niet het woord heeft gekregen in zoverre dat voor de uitoefening van zijn recht van verdediging noodzakelijk was, daar de schending ervan niet voor het hof van assisen werd aangevoerd en de eiser als laatste aan het woord is kunnen komen, vóór het sluiten van het debat op 15 december 2010.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van de tweede eiser

Eerste middel

De eiser voert schending aan van artikel 119 Gerechtelijk Wetboek. Krachtens die bepaling moet het hof van assisen samengesteld zijn uit minstens twee magistraten die een voortgezette opleiding hebben gevolgd, wanneer de beschuldigde minderjarig was op het ogenblik van het als misdaad omschreven feit en de jeugdrechtbank de zaak uit handen heeft gegeven aan de jury.

De eiser beweert niet dat de rechters die zitting hebben gehouden de voormelde opleiding niet hebben gevolgd. Hij voert alleen aan dat hij dat onmogelijk kon nagaan.

De door de eerste voorzitter van het hof van beroep op 18 oktober 2010 genomen beschikking grondt evenwel de aanwijzing van de twee assessoren op de noodzaak om aan het rechtscollege magistraten toe te voegen die de in artikel 119, § 2, en 259sexies, § 1, Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorgezette opleiding hebben gevolgd.

Dat stuk, dat aan het dossier van de rechtspleging is toegevoegd, is een voldoende bewijs dat het hof van assisen regelmatig was samengesteld, aangezien geen enkele wetsbepaling tevens de neerlegging in het dossier vereist van een getuigschrift, uitgereikt door het Instituut dat met de voorgeschreven opleiding is belast.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiser voert schending aan van artikel 12 Strafwetboek. Hij verwijt het arrest dat het hem veroordeelt tot levenslange opsluiting, ofschoon naar luid van de aangevoerde wetsbepaling een dergelijke straf niet kan worden uitgesproken tegen iemand die op het tijdstip van de misdaad geen volle achttien jaar was.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser met name schuldig werd bevonden, enerzijds, aan doodslag om diefstal te vergemakkelijken, gepleegd op de leeftijd van zestien jaar en, anderzijds, aan moord, doodslag, moordpoging en verkrachting, gepleegd op de leeftijd van negentien jaar.

Het arrest vermeldt dat het hier een samenloop van verscheidene misdaden betreft en dat in een dergelijk geval alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken.

De straf levenslange opsluiting die bij wet op de in artikel 475 Strafwetboek omschreven misdaad is gesteld, kan de eiser niet worden opgelegd wegens de wettelijke verschoningsgrond minderjarigheid waarvoor hij met toepassing van artikel 12 van het voormelde wetboek van rechtswege in aanmerking komt.

Voor die misdaad kan aan de eiser maximum een straf van twintig tot dertig jaar opsluiting worden opgelegd.

De moord die de eiser ten laste wordt gelegd en waarvan is vastgesteld dat zij na het bereiken van de leeftijd van de wettelijke meerderjarigheid werd gepleegd, is daarentegen, met toepassing van de artikelen 392, 393 en 394 Strafwetboek, strafbaar met levenslange opsluiting.

Aangezien die straf de zwaarste straf is, is zij toepasselijk, niettegenstaande de verschoningsgrond waarvoor één van de samenlopende misdaden in aanmerking komt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 8 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Behandeling ter zitting

  • Ondervraging van de beschuldigde door de voorzitter

  • Verplichting

  • Discretionaire bevoegdheid van de voorzitter