- Arrest van 9 juni 2011

09/06/2011 - C.10.0203.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De regel dat het bedrag van de uitkering na echtscheiding in geen geval hoger mag zijn dan een derde van de inkomsten van de uitkeringsplichtige echtgenoot raakt de openbare orde niet, maar, aangezien hij strekt tot bescherming van de rechten van de onderhoudsplichtige echtgenoot, is hij een beschermingsmaatregel van dwingend recht die hem ten goede komt (1). (1) Zie Cass. 23 juni 2006, AR C.05.0139.F, AC, 2006, nr. 350.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0203.F

S. P.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. L.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 17 december 2009 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Marche-en-Famenne.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht voert de eiser een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Middel

Tweede onderdeel

Artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek dat te dezen van toepassing is bepaalt dat het bedrag van de uitkering na echtscheiding in geen geval hoger mag zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot.

Deze regel raakt de openbare orde niet, maar, aangezien hij strekt tot bescherming van de rechten van de onderhoudsplichtige echtgenoot, is hij in zijn voordeel van dwingend recht.

Het bestreden vonnis oordeelt dat, "aangezien de wettelijke beperking tot een derde van de inkomsten [van de eiser] niet wordt aangevoerd, zijn huidige toestand hier niet ter zake doet".

Met die overwegingen waaruit niet kan worden afgeleid dat de eiser heeft afgezien zich op de toepassing van artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek te beroepen, verantwoordt het bestreden vonnis de beslissing waarbij het door de eiser aan de verweerster verschuldigde bedrag van de uitkering tot levensonderhoud vastgesteld wordt op 400 euro niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

Het Hof dient niet te antwoorden op de overige onderdelen daar ze niet tot ruimere cassatie kunnen leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over het bedrag van de uitkering tot levensonderhoud die de eiser aan de verweerster verschuldigd is en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 9 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.

De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uitkering na echtscheiding

  • Beperking

  • Aard