- Arrest van 9 juni 2011

09/06/2011 - D.10.0008.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het cassatieberoep tegen een verweerder die geen partij in het geding was voor de tuchtraad van beroep is niet ontvankelijk (1). (1) Zie Cass. 5 juni 2000, AR S.99.0165.F, AC, 2000, nr. 342.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.10.0008.F

V. M. G.,

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

2. STAFHOUDER VAN DE FRANSE ORDE VAN ADVOCATEN VAN DE BALIE TE BRUSSEL,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing, op 16 maart 2010 gewezen door de Franse en de Duitse tuchtraad van beroep.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht voert de eiser zes middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Middel van niet-ontvankelijkheid, door de tweede verweerder tegen het cassatieberoep aangevoerd: de verweerder was geen partij in het geding voor de tuchtraad van beroep:

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de tweede verweerder geen partij in het geding was voor de tuchtraad van beroep.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Eerste middel

Tweede onderdeel

Artikel 459, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de onderzoeker ter zitting wordt gehoord in zijn verslag.

Naar luid van artikel 467 van het Gerechtelijk Wetboek worden de debatten voor de tuchtraad van beroep gehouden zoals voorgeschreven door artikel 459, § 2.

Noch die bepalingen noch artikel 465 van het Gerechtelijk Wetboek sluiten uit dat de advocaat die de zaak in eerste aanleg behandeld heeft tegenwoordig is op de zitting in hoger beroep en er wordt gehoord.

De tuchtraad van beroep die Mr. R.M. in zijn hoedanigheid van onderzoeker in zijn verslag heeft gehoord, schendt geen van de in het onderdeel aangegeven bepalingen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Eerste onderdeel

Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak dat het recht op de wapengelijkheid omvat en met name gewaarborgd wordt door artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden impliceert alleen dat iedere procespartij dezelfde proceduremiddelen kan aanwenden en onder dezelfde voorwaarden kennis kan nemen van stukken en gegevens die aan het oordeel van de geadieerde rechter zijn voorgelegd, en hierover vrij tegenspraak kan voeren. Daaruit volgt niet dat partijen die in verschillende hoedanigheden optreden en verschillende belangen hebben, steeds in identieke omstandigheden moeten verkeren om van die mogelijkheden te genieten.

Zelfs als de tuchtvordering in hoger beroep door de procureur-generaal bij het hof van beroep wordt ingesteld en niet meer door de stafhouder, schendt het feit dat de onderzoeker door de tuchtraad van beroep verhoord wordt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet en miskent het noch het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid noch het recht van verdediging van de eiser.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

Naar luid van artikel 460, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de tuchtraad van beroep in zijn beslissing de kosten die voor het onderzoek en de behandeling ter terechtzitting werden gemaakt ten laste leggen van de betrokken advocaat.

Die bepaling is van toepassing op de rechtspleging voor de tuchtraad van beroep.

Uit die bepaling blijkt niet dat de veroordeling van de betrokken advocaat in de kosten van het onderzoek en van de behandeling ter terechtzitting moet worden gevorderd door één van de partijen.

Het onderdeel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Tweede middel

Krachtens artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis op straffe van nietigheid enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters.

Naar luid van artikel 465, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek houdt iedere kamer van de tuchtraad van beroep zitting met een voorzitter, vier assessoren-advocaten en een secretaris-advocaat.

De onderzoeker maakt geen deel uit van de tuchtraad van beroep en noch hij noch de secretaris nemen deel aan het beraad.

Geen enkele wetsbepaling legt evenwel de verplichting op om in de beslissing uitdrukkelijk te vermelden dat de onderzoeker en de secretaris niet aan het beraad hebben deelgenomen.

Uit de bestreden beslissing blijkt dat zij is gewezen door de raad, bestaande uit J. S., voorzitter, M. V. D., assessor, J. R., assessor, D. D., assessor, E. F., assessor en P. C., secretaris.

Aan de hand van de vermelding van de functies die door voornoemde personen werden uitgeoefend kan worden vastgesteld wie een rechtsprekende functie heeft uitgeoefend en wie hen alleen bijgestaan heeft.

Uit die vermeldingen blijkt duidelijk dat de bestreden beslissing regelmatig is gewezen door een rechtscollege, bestaande uit een voorzitter en vier assessoren-advocaten, bijgestaan door een secretaris advocaat, die niet aan het beraad heeft deelgenomen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 9 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.

De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verweerders

  • Beslissing van de Tuchtraad

  • Schrapping

  • Hoger beroep van eiser

  • Geen incidenteel beroep van de stafhouder van de Franse Orde van advocaten van de balie van Brussel

  • Cassatieberoep tegen de stafhouder

  • Ontvankelijkheid