- Arrest van 10 juni 2011

10/06/2011 - C.10.0249.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer het proces-verbaal van de terechtzitting waarop de zaak werd behandeld en in beraad werd genomen en de in de zaak gewezen uitspraak dezelfde namen van raadsheren vermeldt, staat vast dat het dezelfde rechters zijn die de zaak hebben behandeld en erover hebben geoordeeld en die de beslissing hebben ondertekend; hieraan doet niet af dat het proces-verbaal van de terechtzitting waarop het arrest werd uitgesproken door een andere raadsheer zou zijn ondertekend (1). (1) Zie Cass. 5 april 2005, AR P.04.1547.N, AC, 2005, nr. 196.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0249.N

1. C. V.,

2. C ENTERPRISES MANAGEMENT CORPORATION bvba, met zetel te 2000 Antwerpen, Amerikalei 163,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athenée 9, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. OPENBAAR MINISTERIE, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof te Antwerpen, te 2000 Antwerpen, Waalse Kaai 35A,

2. Paul VAN SANT, advocaat, qq. curator van het faillissement bvba C Enterprises Management Corporation, met kantoor te 2018 Antwerpen, Justitiestraat 27,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 november 2009.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Uit het bestreden arrest volgt dat op de openbare terechtzitting van 13 november 2009 aanwezig waren de raadsheren E. Lemmens en J. Embrechts en plaatsvervangend raadsheer K. Van den Berghen, die tevens het bestreden arrest ondertekenden.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009 waarop de zaak werd behandeld, en het proces-verbaal van de zitting van 13 november 2009 volgt tevens dat de zetel telkens was samengesteld uit de raadsheren E. Lemmens en J. Embrechts en plaatsvervangend raadsheer K. Van den Berghen, die tevens het bestreden arrest ondertekenden.

2. Wanneer het proces-verbaal van de terechtzitting waarop de zaak werd behandeld en in beraad werd genomen en de in de zaak gewezen uitspraak dezelfde namen van raadsheren vermeldt, staat vast dat het dezelfde rechters zijn die de zaak hebben behandeld en erover hebben geoordeeld en die de beslissing hebben ondertekend.

Hieraan doet niet af dat het proces-verbaal van de terechtzitting waarop het arrest werd uitgesproken door een andere raadsheer zou zijn ondertekend.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. Krachtens artikel 138bis Gerechtelijk Wetboek komt het openbaar ministerie in burgerlijke zaken tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of advies.

4. Krachtens artikel 780 Gerechtelijk Wetboek bevat het vonnis, op straffe van nietigheid, onder meer "4° de vermelding van het advies van het openbaar ministerie".

5. Uit deze bepalingen in hun onderlinge samenhang gelezen volgt dat de verplichting van voormeld artikel 780, 4°, Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is wanneer het openbaar ministerie tussenkomt bij wege van rechtsvordering.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan volgt dat:

- de tweede eiseres bij vonnis bij verstek gewezen op 12 februari 2009 in staat van faillissement werd verklaard op vordering van het Openbaar Ministerie;

- de eerste eiser tegen dit vonnis derdenverzet heeft aangetekend en in deze procedure zowel het Openbaar Ministerie, de curator als de failliete vennootschap heeft betrokken;

- het derdenverzet bij vonnis van de rechtbank van koophandel van 1 juli 2009 werd afgewezen, en de eiser hiertegen hoger beroep heeft ingesteld waarbij andermaal voormelde drie partijen in de appelprocedure werden betrokken;

- het bestreden arrest melding maakt van het openbaar ministerie als geïntimeerde.

7. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de verplichting tot vermelding van het advies ook geldt wanneer het openbaar ministerie als partij optreedt, faalt naar recht.

Derde onderdeel

8. In zoverre de eiser door elkaar schending aanvoert van "de basisfilosofie van de bepalingen inzake ingereedheidbrenging" en van "een algemeen aanvaarde praktijk om op een inleidingszitting een akkoord te laten acteren" en ook gewag maakt van een deloyale proceshouding ingevolge het niet akkoord gaan met een repliekmogelijkheid, zonder dat het voor het Hof mogelijk is de grieven van elkaar te onderscheiden, is het middel niet ontvankelijk.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan volgt dat de tweede eiseres in staat van faillissement werd verklaard op vordering van het openbaar ministerie.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de tweede eiseres in staat van faillissement werd verklaard op ambtshalve wijze, mist het feitelijke grondslag.

10. In zoverre het onderdeel verder schending aanvoert van artikel 1042 en 1047 Gerechtelijk Wetboek zonder te specificeren hoe en waardoor het arrest deze bepaling schendt, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

eenparing beslissend,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op de som van 536,93 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 10 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.

Vrije woorden

  • Samenstelling van het rechtscollege

  • Vermelding van dezelfde namen van raadsheren in het proces- verbaal van de terechtzitting en de in de zaak gewezen uitspraak