- Arrest van 14 juni 2011

14/06/2011 - P.11.0593.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0593.N

R P,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Piet Van Gheem en mr. Len Augustyns, beiden advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

1. L B,

burgerlijke partij,

2. D B,

burgerlijke partij,

3. C B,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 februari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 2 mei 2011 ter griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest bevestigt de voor de feiten FI, FII, G en I van de zaak II verleende vrijspraak.

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 15.1 IVBPR, artikel 7.1 EVRM en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek: door de eiser wegens alle bewezen verklaarde feiten bij toepassing van de artikelen 65, eerste lid, en 474 Strafwetboek tot twintig jaar gevangenisstraf te veroordelen, past het arrest een strengere strafwet retroactief toe; artikel 25 Strafwetboek, zoals gewijzigd door de op 21 januari 2010 in werking getreden wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, bepaalt voor die feiten inderdaad een gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaar, maar op het ogenblik van de feiten waaraan de eiser schuldig is bevonden liet die bepaling voor die feiten slechts een gevangenisstraf van ten hoogste tien jaar toe.

3. Artikel 15.1, tweede zin, IVBPR bepaalt: "Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was."

Artikel 7.1, tweede zin, EVRM bepaalt: "Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was."

Artikel 2, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: "Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast."

Uit die bepalingen volgt dat een zwaardere strafwet niet retroactief mag worden toegepast.

4. Er is een zwaardere straf in de zin van de voormelde bepalingen indien de straf die de beklaagde kon oplopen op het ogenblik van de rechterlijke beslissing zwaarder is dan de straf die hij kon oplopen op het tijdstip van het plegen van de feiten.

5. Artikel 474 Strafwetboek voorzag op het tijdstip van het plegen van de feiten waaraan de eiser schuldig is verklaard en op het ogenblik van de rechterlijke beslissing in een straf van twintig tot dertig jaar opsluiting.

6. Op het tijdstip van de feiten waaraan de eiser is schuldig verklaard, kon de door artikel 474 Strafwetboek bestrafte misdaad niet worden gecorrectionaliseerd. De berechting kon enkel gebeuren door het hof van assisen dat aan de eiser een straf van twintig tot dertig jaar opsluiting kon opleggen. Het hof van assisen kon, zo het bij toepassing van de artikelen 79 en 80, tweede lid, Strafwetboek verzachtende omstandigheden aannam, deze straf vervangen door opsluiting van vijftien tot twintig jaar of door een kortere termijn of door een gevangenisstraf van drie jaar.

7. Artikel 2, derde lid, 9°, Wet Verzachtende Omstandigheden, zoals gewijzigd door het op 1 mei 2010 in werking getreden artikel 230 van de voormelde wet van 21 december 2009, laat de correctionalisering van de misdaad van artikel 474 Strafwetboek toe. De eiser is bij beschikking van de raadkamer van 28 juli 2010 met aanneming van verzachtende omstandigheden onder meer voor dit feit verwezen naar de correctionele rechtbank.

Artikel 25, vijfde lid, Strafwetboek, zoals gewijzigd bij het op 21 januari 2010 in werking getreden artikel 2 van de voormelde wet van 21 december 2009, bepaalt dat de duur van de correctionele gevangenisstraf ten hoogste twintig jaar bedraagt voor een gecorrectionaliseerde misdaad strafbaar met opsluiting van twintig tot dertig jaar.

De straf die aan de eiser bij het aannemen van verzachtende omstandigheden kon worden opgelegd bedroeg op het tijdstip van de feiten twintig jaar opsluiting en op het ogenblik van de rechterlijke beslissing twintig jaar gevangenisstraf.

Het middel dat aanvoert dat de straf op het ogenblik van de rechterlijke beslissing strenger was dan de straf op het tijdstip van de feiten waaraan de eiser is schuldig bevonden, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 85,34 euro

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 14 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Artikel 474, Strafwetboek

  • Feiten gepleegd vóór de wijziging van de artikelen 25 Strafwetboek en 2 Wet Verzachtende Omstandigheden

  • Uitspraak na deze wetswijziging en na correctionalisering

  • Toepasselijke straf