- Arrest van 15 juni 2011

15/06/2011 - P.11.0927.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling de rechtmatigheid van het verzoek tot uitlevering van roerende zaken heeft onderzocht en dat toezicht heeft uitgeoefend nadat zij de derde beslagene en diens raadsman heeft gehoord, berokkent de niet-nietigverklaring van de beroepen beschikking van de raadkamer, voor de rechtszitting waarvan die derde beslagene kloeg niet te zijn opgeroepen, laatstgenoemde geen nadeel, en het arrest neemt de nietigheid niet over die het middel aan de beslissing van de eerste rechter toeschrijft, aangezien het debat in hoger beroep op tegenspraak is gevoerd, het arrest gegrond is op eigen redenen en het hoger beroep van de eiser de door hem gewenste uitwerking had (1). (1) Zie Cass. 3 jan. 2006, AR P.05.1662.N, AC, 2006, nr. 5; Cass. 28 mei 2008, AR P.08.0751.F, AC, 2008, nr. 328; Cass. 14 april 2009, AR P.09.0532.F, AC, 2009, nr. 251.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0927.F

C. E.,

Mrs. Reinhold Tournicourt en Martine Eulaerts, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel voert in essentie miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging aan. De eiser verwijt het arrest dat het de beschikking van de raadkamer bevestigt terwijl hij niet voor de raadkamer werd opgeroepen en aldaar niet heeft kunnen betwisten dat de bij hem in beslag genomen voorwerpen werden overgedragen aan de buitenlandse gerechtelijke overheid die ze opeist.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft evenwel de wettelijkheid van het verzoek tot uitlevering van roerende zaken onderzocht en dat nazicht uitgeoefend nadat zij de derde beslagene en diens raadsman had gehoord.

Dat de bestreden beschikking niet nietig wordt verklaard berokkent de eiser geen nadeel en het arrest neemt de nietigheid niet over die het middel aan de beslissing van de eerste rechter toeschrijft, aangezien het debat in hoger beroep op tegenspraak werd gevoerd, het arrest gegrond is op eigen redenen en het hoger beroep van de eiser de door hem gewenste uitwerking had.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Tweede middel

Het middel voert aan dat het arrest, door toestemming te verlenen om de bij de eiser in beslag genomen gestolen voorwerpen over te dragen aan de verzoekende partij, hoewel de eiser ze als zijn eigendom opeist daar hij ze op een veiling had gekocht, artikel 20.4 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, gedaan te Parijs op 13 december 1957, artikel 11, vierde lid, Uitleveringswet 1874 en artikel 42, 1°, Strafwetboek schendt.

In strijd met wat het middel aanvoert, verplicht geen van de drie aangevoerde wetsbepalingen het onderzoeksgerecht dat uitspraak moet doen over een verzoek tot uitlevering van roerende zaken, om de overdracht van de in beslag genomen voorwerpen te weigeren alleen omdat een derde bezitter er belang bij heeft dat zij de grens niet overschrijden.

Artikel 20.4 van het Verdrag verbiedt de voormelde overdracht niet maar bepaalt, wat niet hetzelfde is, dat de door derden op die voorwerpen verkregen rechten onverlet blijven en dat, indien dergelijke rechten bestaan, de voorwerpen na het rechtsgeding zullen worden teruggegeven aan de aangezochte Partij.

Artikel 42, 1°, Strafwetboek bepaalt dat de bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, wanneer zij eigendom zijn van de veroordeelde. De overdracht is geen verbeurdverklaring en loopt daar niet op vooruit.

Artikel 11, vierde lid, van de wet van 15 maart 1874 vermeldt ten slotte dat het onderzoeksgerecht eventueel zal beslissen over de terugvordering van de derde bezitter. Overeenkomstig die bepaling kan het onderzoeksgerecht de overdracht weigeren, gelet op het belang van de derde. Dit belang dwingt daar niet toe.

De eiser heeft om de opheffing van het beslag verzocht met het argument dat de verzoekende partij niet mocht optreden via een internationale ambtelijke opdracht, maar een vordering tot teruggave van de in beslag genomen goederen had moeten instellen, door een tegensprekelijk verzoekschrift in te dienen bij de rechtbank van eerste aanleg steunend op artikel 7, § 1, van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van de cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht.

Het arrest wijst die grief af omdat de wetsbepalingen waarop hij is gesteund niet toepasselijk zijn op de procedure van tenuitvoerlegging van een internationale ambtelijke opdracht voor de inbeslagneming in België en de overdracht naar het buitenland van het voorwerp van het misdrijf, in een aldaar gevoerd gerechtelijk onderzoek.

De appelrechters doen aldus uitspraak over de vordering van de derde bezitter.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel in zijn geheel

Noch artikel 20 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, noch artikel 11 van de wet van 15 maart 1874, verbieden een derde bij wie gestolen goederen in beslag werden genomen, zijn rechten op teruggave te doen gelden, met name voor de rechter van de verzoekende Partij.

Het middel dat uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht.

Aangezien de door de eiser opgeworpen prejudiciële vraag zowel op die (verkeerde) rechtsopvatting als op de verwarring berust, waarop reeds is gewezen in het antwoord op het tweede middel, tussen overdracht en verbeurdverklaring, hoeft die prejudiciële vraag niet te worden gesteld.

Ambtshalve onderzoek

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 15 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uitlevering van roerende zaken

  • Recht van verdediging

  • Raadkamer

  • Derde-beslagene

  • Niet opgeroepen

  • Hoger beroep

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Herstel van het recht van verdediging

  • Voorwaarden