- Arrest van 16 juni 2011

16/06/2011 - C.10.0153.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit de artikelen artikel 584, tweede lid, en 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat het wegvallen van het dringend karakter in hoger beroep de rechter in kort geding, bij wie regelmatig hoger beroep is ingesteld door een partij tegen wie een voorlopige maatregel is uitgesproken, niet belet na te gaan of de beslissing van de eerste rechter verantwoord was op het ogenblik dat hij uitspraak deed en, indien nodig, die beslissing teniet te doen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr.***.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.153.F

HENRI LOUETTE cvba,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

VERBRUIKERSUNIE TEST AANKOOP, cvba,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 22 oktober 2009.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 584, 1039, 1042 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist eerst dat er geen grond meer was om in kort geding uitspraak te doen, aangezien er op het ogenblik waarop de zaak voor het hof van beroep werd onderzocht, geen urgentie was. Het beslist vervolgens dat moet worden onderzocht, of de eerste rechter de litigieuze maatregel wel mocht treffen, doet de beroepen beschikking na dat onderzoek teniet, verwerpt de vordering van de eiseres tot overlegging van informatie, beveelt haar alle gegevens die zij ter uitvoering van die beschikking heeft verkregen, terug te geven aan de verweerster en verbiedt haar op welke wijze ook, waaronder in rechte, die gegevens te gebruiken. Het baseert die beslissing op alle redenen die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven en meer bepaald om de onderstaande redenen:

"Dat neemt niet weg dat ‘het wegvallen van de urgentie in hoger beroep het hof [van beroep] weliswaar belet een voorlopige maatregel uit te spreken of te bevestigen, maar het hof geenszins belet het tijdstip waarop de eerste rechter uitspraak deed in aanmerking te nemen om na te gaan of de bevolen maatregel, op dat ogenblik, verantwoord was, met name in het licht van de urgentie' (...). Het hof moet dus nagaan of, wanneer in die fase duidelijk urgentie bestond, de eerste rechter de litigieuze maatregel ten aanzien van (de verweerster) mocht treffen".

Grieven

Artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep. Krachtens artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel bij voorraad uitspraak doen in gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van die rechtbank behoren. Krachtens die bepaling, die ingevolge artikel 1042 Gerechtelijk Wetboek toepasselijk werd in hoger beroep, moet de rechter op het hoger beroep tegen een vonnis dat in kort geding met betrekking tot voorlopige maatregelen is gewezen, nagaan of er nog steeds urgentie is op het ogenblik dat hij uitspraak doet. Indien hij vaststelt dat het geval niet langer dringend is, beslist hij dat er geen reden is om in kort geding uitspraak te doen en houdt de bevolen maatregel op uitwerking te hebben vanaf het ogenblik waarop hij zijn beslissing wijst. Door die beslissing heeft de appelrechter zijn rechtsmacht volledig uitgeoefend, kan hij, krachtens artikel 1039 Gerechtelijk Wetboek slechts bij voorraad uitspraak doen en is hij niet bevoegd om zich uit te spreken over de wettigheid van de beroepen beslissing en de gevolgen ervan voor de teruggaven.

Het arrest dat eerst beslist dat er geen grond meer was om in kort geding uitspraak te doen, aangezien er op het ogenblik waarop de zaak voor het hof van beroep werd onderzocht geen urgentie was, schendt bijgevolg de in het middel aangewezen wetsbepalingen door na te gaan of de rechter de litigieuze maatregel mocht treffen en, na een negatief antwoord op die vraag, de beroepen beschikking teniet te doen, de vordering van de eiseres tot overlegging van informatie te verwerpen, haar te bevelen alle informatie terug te geven die zij ter uitvoering van de beschikking tot nietigverklaring heeft verkregen en haar te verbieden, op welke wijze ook, waaronder in rechte, die gegevens te gebruiken.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 21 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijzigt de beroepen beschikking, doet ze teniet, verwerpt de vordering die de eiseres bij wege van eenzijdig verzoekschrift had ingesteld en waarin zij de verweerster wou doen veroordelen om de informatie over te leggen die zij bezat over de identiteit, de adresgegevens, de TCP/IR-adressen en de gebruikersnamen van de degenen die de litigieuze berichten over de eiseres in de discussiegroep van de website van de verweerster hebben gepost, beveelt dat de eiseres de gegevens die zij ter uitvoering van de beschikking verkregen heeft, aan de verweerster teruggeeft en verbiedt haar ze, op welke wijze ook, waaronder in rechte, te gebruiken. Het baseert die beslissing op alle redenen die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven en inzonderheid op die welke vermeld staan onder het opschrift "Recht van (de eiseres): artikel 21 van de wet van 11 maart 2003":

"(De eiseres) grondt haar recht om de informatie over degenen die de litigieuze uitlatingen hadden gedaan, te verkrijgen op artikel 21, § 2, tweede lid, van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij.

Artikel 21, § 1, bepaalt dat de in de vorige bepalingen bedoelde dienstverleners, waartoe (de verweerster) als host zonder enige twijfel behoort, ‘geen algemene verplichting (hebben) om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden (...)'.

Daarentegen zijn zij wel verplicht ‘de bevoegde gerechtelijke of administratieve autoriteiten onverwijld in kennis te stellen van vermeende onwettige activiteiten of onwettige informatie die door de afnemers van hun dienst worden geleverd' (artikel 21, § 2, eerste lid), maar dat punt is niet aan de orde in dit debat.

Voor het overige dienen, ‘onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen (...) deze dienstverleners de bevoegde gerechtelijke of administratieve autoriteiten op hun verzoek alle informatie te verschaffen waarover zij beschikken en die nuttig is voor de opsporing en de vaststelling van de inbreuken gepleegd door hun tussenkomst' (artikel 21, § 2, tweede lid).

De eerste rechter heeft geoordeeld dat ‘een rechterlijke overheid - hier de voorzitter van de rechtbank van koophandel - op grond van de bewoordingen van artikel 21, § 2, van de wet van 11 maart 2003, zonder enige formaliteit en zonder dat met name een debat voor de rechter moet worden gevoerd, inlichtingen mag opvragen bij door de wet omschreven dienstverlener, hier (de verweerster)'.

Een dergelijke lezing druist in tegen artikel 21, § 2, tweede lid, van de wet, dat de dienstverlener verplicht ‘de bevoegde gerechtelijke of administratieve autoriteiten' en dit, ‘op hun verzoek', alle informatie mee te delen waarover hij beschikt en die nuttig is voor de opsporing en de vaststelling van de inbreuken gepleegd door [zijn] tussenkomst'. Het gaat dus om een wederzijdse betrekking tussen de dienstverlener en de gerechtelijke of administratieve autoriteiten voor specifieke doeleinden, namelijk het opsporen en vaststellen van inbreuken.

Die bepaling doet voor andere natuurlijke of rechtspersonen dan die autoriteiten geen enkel subjectief recht ontstaan om die informatie te verkrijgen, ofwel rechtstreeks, via een onmiddellijke aanmaning aan de dienstverlener, ofwel indirect, via overdracht van de informatie door de gerechtelijke of administratieve overheid, maar die bepaling voorziet niet in die werkwijze. Die conclusie ligt voor de hand, aangezien de dienstverleners die informatie enkel moeten verstrekken met het oog op de opsporing en de vaststelling van inbreuken, wat enkel de taak is van de gerechtelijke of administratieve autoriteiten. Dat lid komt trouwens na het eerste lid dat de dienstverleners verplicht om de bevoegde gerechtelijke of administratieve autoriteiten in kennis te stellen van de onwettige activiteiten waarvan zij op de hoogte zijn. De niet-inachtnemig van artikel 21, § 2, is trouwens strafbaar, aangezien artikel 26, § 5, 3°, eerste lid, van de wet voorziet in geldboetes voor ‘de dienstverleners die weigeren hun medewerking te verlenen, zoals vereist door artikel 21, § 1, tweede lid, of door artikel 21, § 2.'.

De wet van 11 maart 2003 is de omzetting van een Europese richtlijn (2000/13/EG van 8 juni 2000) waarvan artikel 15 als principe stelt dat er voor de dienstverleners geen algemene toezichtverplichting wordt opgelegd, maar als compensatie daarvoor kan worden voorgeschreven dat de dienstverleners ‘de bevoegde autoriteiten (...) in kennis dienen te stellen van (...) onwettige activiteiten' alsook dat zij ‘de bevoegde autoriteiten op hun verzoek informatie dienen te verstrekken waarmee de afnemers van hun dienst met wie zij opslagovereenkomsten hebben gesloten, kunnen worden geïdentificeerd'.

Ook de wijziging van de voornoemde wet in 2005 bevestigt die analyse ten volle. In de vorige versie bestond dubbelzinnigheid over de mededeling van informatie aan de administratieve autoriteiten. Naast het feit dat de wetgever de reikwijdte van die informatieplicht wilde uitbreiden, die ‘dus niet beperkt (is) tot de gegevens tot identificatie van de afnemers van hun dienst, die vaak ontoereikend zijn om de inbreuk op te sporen en vast te stellen.' (Doc. 51 1845/001, p. 46), wilde hij de laatste zin van het eerste lid van artikel 21, § 2, schrappen omdat die ‘ten onrechte kon doen geloven dat de samenwerking van de dienstverleners met de bevoegde administratieve autoriteiten afhankelijk was van een voorafgaande beslissing van de procureur des Konings of van de onderzoeksrechter. Dat is niet het geval' (Doc. 51 1845/001, p. 47). De geschrapte zin verplichtte de host immers ‘de regels in acht (te nemen), zoals die vastgelegd zijn in de procedures vermeld in artikel 20, § 3', namelijk de mededeling aan de procureur des Konings. Voortaan volgt daaruit dat ‘de verplichting tot samenwerking tussen de dienstverleners en de bevoegde administratieve autoriteiten (...) direct (is) en onafhankelijk van enige tussenkomst van de gerechtelijke autoriteiten' (Doc. 51 1845/001, p. 47). Dat beginsel van de rechtstreekse samenwerking strekt wel degelijk ertoe ‘de bevoegde administratieve autoriteiten (zoals de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie) in staat te stellen om de inbreuken gepleegd door hun tussenkomst vast te stellen' (Doc. 51 1845/001, p. 46). Nergens is er sprake van een overdracht van informatie aan andere derden dan die autoriteiten, die genoemde informatie louter voor privédoeleinden gebruiken, en niet om inbreuken op te sporen of vast te stellen.

Kortom, de voorzitter van de rechtbank van koophandel, bij wie een privépersoon een vordering aanhangig had gemaakt, was niet gerechtigd om op grond van artikel 21, § 2, tweede lid, van de wet van 11 maart 2003 (de verweerster) te bevelen de litigieuze gegevens over te leggen. De schijn van recht die de voorzitter aan de mededeling van informatie aan een gerechtelijke instantie wilde geven, strookt voorts niet met de werkelijkheid: (de verweerster) diende de inlichtingen bij het rechtsplegingsdossier te voegen, dat door (de eiseres) kon worden geraadpleegd, en zelfs een afschrift ervan aan haar raadsman te bezorgen.

Grieven

(Als tegenprestatie voor het feit dat artikel 21, § 1, van de wet van 11 maart 2003 de dienstverlener geen algemene toezichtsverplichting oplegt, verplicht paragraaf 2 van die bepaling hem wel de gegevens aan de gerechtelijke autoriteiten mee te delen. Die bepaling verleent een partij die aanvoert dat zij het slachtoffer is geworden van lasterlijke of beledigende uitlatingen die werden gepost op de website van een hostingbedrijf het subjectieve recht om van een gerecht van de rechterlijke orde te verkrijgen dat het die host beveelt om haar alle beschikbare informatie te bezorgen over de plegers van die inbreuken teneinde een burgerrechtelijke herstelvordering in te stellen.

Het arrest dat beslist dat die bepaling aan privépersonen niet het recht verleent om een zaak aanhangig te maken bij een gerechtelijke overheid teneinde de mededeling te verkrijgen van de gegevens waarmee hij een vordering kan instellen tot herstel van de door een onrechtmatige handeling veroorzaakte schade, beperkt op onwettige wijze de draagwijdte van artikel 21, § 2, van de wet van 11 maart 2003 en schendt bijgevolg die wetsbepaling.

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 584, 1039 en 1042 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijzigt de beschikking van de voorzitter en beslist dat het ten gevolge van de wijziging de eiseres verboden is op welke wijze ook, waaronder in rechte, die gegevens te gebruiken. Het baseert die beslissing op de onderstaande redenen:

"De wijziging van de beschikking ‘emporte condamnation à restituer ce qui a été perçu en exécution de celle-ci même [si l'arrêt] ne l'énonce pas formellement' (G. de LevaI, Traité des saisies, n° 279C, p. 592), zodat (de eiseres) in dezelfde toestand moet worden teruggebracht alsof de litigieuze beschikking nooit had bestaan. Dat herstel in de vorige toestand impliceert dat (de eiseres) geacht wordt nooit in het bezit te zijn geweest van die gegevens, die zij zonder enige wettelijke grondslag heeft verkregen en die zij dus, onder meer in rechte, niet mag gebruiken. De gevolgtrekkingen van dat verbod moeten aldus gemaakt worden in het kader van procedure over de zaak zelf die (de eiseres) heeft ingesteld tegen degenen die zij op grond van die gegevens geïdentificeerd heeft als personen die de litigieuze uitlatingen hebben gedaan."

Grieven

Krachtens de artikelen 584 en 1039 Gerechtelijk Wetboek, die overeenkomstig artikel 1042 van dat wetboek toepasselijk zijn in hoger beroep, kan de rechter in kort geding, op grond van een schijn van recht, slechts voorlopige maatregelen nemen en is het hem verboden om aan de bodemrechter de gegevens te vermelden die hij in aanmerking zal moeten nemen bij zijn onderzoek naar de rechten van een partij.

Het arrest dat de eiseres verbiedt om in rechte gebruik te maken van de gegevens die zij verkregen heeft ter uitvoering van de beschikking van 30 juli 2008 en die de bodemrechter, bij wie reeds een een schadeclaim aanhangig was gemaakt tegen de door die gegevens geïdentificeerde personen die de uitlatingen hadden gedaan, verplicht daaruit de gevolgtrekkingen te maken, overschrijdt de grens van de uitspraak bij voorraad en schendt bijgevolg alle in het middel aangewezen wetsbepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Overeenkomstig artikel 584, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel bij voorraad uitspraak doen in gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van die rechtbank behoren.

Artikel 1068, eerste lid, van dat wetboek bepaalt dat hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep.

Uit die bepalingen volgt dat het wegvallen van de urgentie in hoger beroep de rechter in kort geding, bij wie regelmatig hoger beroep is ingesteld door een partij tegen wie een voorlopige maatregel is uitgesproken, niet belet na te gaan of de beslissing van de eerste rechter verantwoord was op het ogenblik dat hij uitspraak deed, en, indien nodig, die beslissing teniet te doen.

Het middel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

Artikel 21, § 2, eerste lid, van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij bepaalt dat de in § 1 bedoelde dienstverleners verplicht zijn de bevoegde gerechtelijke of administratieve autoriteiten onverwijld in kennis te stellen van vermeende onwettige activiteiten of onwettige informatie die door de afnemers van hun dienst worden geleverd. Het tweede lid bepaalt dat die dienstverleners, onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen, de bevoegde gerechtelijke of administratieve autoriteiten op hun verzoek alle informatie dienen te verschaffen waarover zij beschikken en die nuttig is voor de opsporing en de vaststelling van de inbreuken gepleegd door hun tussenkomst.

Die bepaling verleent aan een persoon die beweert het slachtoffer te zijn van lasterlijke of beledigende uitlatingen op de website van een dienstverlener, niet het subjectief recht om van een gerecht van de rechterlijke orde te verkrijgen dat het die dienstverlener ertoe dwingt al zijn informatie over de vermeende plegers van inbreuken aan dat gerecht te verstrekken teneinde een burgerlijke herstelvordering in te stellen.

Het middel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Derde middel

Het arrest beslist eerst dat de beroepen beschikking de verweerster onterecht had veroordeeld om inlichtingen aan de eiseres te verstrekken en dus tenietgedaan moest worden. Het oordeelt vervolgens dat de eiseres moet worden teruggebracht in de toestand alsof de beschikking niet had bestaan, dat dit herstel in de vorige toestand impliceert dat de eiseres geacht wordt de gegevens die zij zonder wettige grondslag verkregen heeft nooit in haar bezit te hebben gehad en dat zij ze bijgevolg, onder meer voor de rechtbank, niet mag gebruiken. Het preciseert daarbij: "de gevolgtrekkingen uit dat verbod zullen aldus gemaakt moeten worden in het kader van de procedure over de zaak zelf die [de eiseres] heeft ingesteld tegen diegenen die zij, op grond van die gegevens, geïdentificeerd heeft als de personen die de litigieuze uitlatingen hebben gedaan".

Het hof van beroep dat aldus "[de eiseres] verbiedt om, op welke wijze ook, waaronder in rechte, die gegevens te gebruiken" heeft geen beslissing genomen die de bodemrechter bindt en heeft de grenzen van de uitspraak bij voorraad, die het als rechter in kort geding in acht moet nemen, niet overschreden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Martine Regout en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 16 juni 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Voorlopige maatregelen

  • Hoger beroep

  • Devolutieve kracht

  • Opdracht van de rechter in hoger beroep

  • Onderwerp van het hoger beroep

  • Dringend karakter

  • Controle