- Arrest van 17 juni 2011

17/06/2011 - D.10.0013.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De aanvangsdatum van de termijn die begint te lopen vanaf een kennisgeving wordt berekend naargelang van de wijze waarop de kennisgeving daadwerkelijk is gebeurd en ongeacht de voorgeschreven wijze van kennisgeving; de vaststelling dat de kennisgeving bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs is gebeurd, dan wanneer enkel een kennisgeving met aangetekende brief is voorgeschreven, doet hieraan niet af.


Arrest - Integrale tekst

Nr. D.10.0013.N

J D M,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiser woonplaats kiest tot en met het uitspreken van dit arrest,

tegen

INSTITUUT VAN DE BEDRIJFSREVISOREN, met zetel te 1000 Brussel, Jacqmainlaan 135/1,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige commissie van beroep van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren van 27 september 2010, na verwijzing door een arrest van dit hof van 29 april 2010.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De commissie van beroep oordeelt niet alleen dat zij zich op grond van artikel 68, § 3, gecoördineerde wet 22 juli 1953 verplicht moet schikken naar de beslissing van het Hof, maar ook op eigen gronden:

"Waar (de eiser) aanvoert dat het niet volstond om slechts de termijn van verzet (dertig dagen om het verzet ter kennis te brengen bij de Tuchtcommissie, zoals voorzien in artikel 20bis na de coördinatie, artikel 62 wet 22 juli 1953) te vermelden omdat ook de "gepaste inlichtingen" omtrent het aanvangspunt of de aanvangsdatum van de verzetstermijn hadden moeten zijn verstrekt in de brief van 13 november 2007, gaat hij uit van een onjuiste lezing van de wet.

De kennisgeving van 13 november 2007 is geheel in overeenstemming met het hoger vermelde artikel 61, § 1 (en artikel 62) en als zodanig niet nietig maar geldig."

2. Deze zelfstandige niet-bekritiseerde reden draagt de beslissing van de geldigheid van de kennisgeving van 13 november 2007.

3. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is dienvolgens niet ontvankelijk.

Tweede middel

4. Krachtens artikel 53bis Gerechtelijk Wetboek worden, ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaald, de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend:

- wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;

- wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

5. Uit deze bepaling volgt dat de aanvangsdatum van de termijn berekend wordt naargelang van de wijze waarop de kennisgeving daadwerkelijk is gebeurd en ongeacht de voorgeschreven wijze van kennisgeving.

De vaststelling dat de kennisgeving bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs is gebeurd, dan wanneer enkel een kennisgeving met aangetekende brief is voorgeschreven, doet hieraan niet af.

6. Het middel dat aanvoert dat de bestreden beslissing onwettig de berekeningswijze van artikel 53, 1°, Gerechtelijk Wetboek toepast, omdat een kennisgeving met gewone brief was voorgeschreven, maar met een aangetekende brief met ontvangstbewijs werd uitgevoerd, kan in zoverre niet worden aangenomen.

7. Anders dan waarvan de eiser uitgaat verleent de kennisgeving van een aangetekende brief met ontvangstbewijs meer zekerheid omtrent de datum van de mogelijke ontvangst, hetgeen de betrokken partijen ten goede komt.

In zoverre het middel uitgaat van een schending van het recht van verdediging, kan het niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 444,92 euro en voor de verweerder op de som van 186,90 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Wijze

  • Termijn

  • Aanvangsdatum