- Arrest van 17 juni 2011

17/06/2011 - C.07.0423.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien de rechter in hoger beroep de in eerste aanleg uitgesproken hoofdveroordeling gedeeltelijk bekrachtigt en de in eerste aanleg opgelegde dwangsom wijzigt en aldus heeft te gelden als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, kan een dwangsom worden verbeurd in de periode tussen de betekening van de uitvoerbare beslissing van de rechter in eerste aanleg en de betekening van de beslissing in hoger beroep, mits onmiskenbaar duidelijk is dat de rechter in hoger beroep een dwangsom in stand heeft gehouden voor dit gedeelte van de in eerste aanleg uitgesproken hoofdveroordeling (1). (1) Beneluxhof, 20 april 2010, nr. A 2009/1, www.courbeneluxhof.be, met concl. van plv. advocaat-generaal Dubrulle.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.07.0423.N

1. BOUSSE-GOVAERTS nv, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,

2. GORO nv, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,

3. TRUDO PAINT nv, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,

4. VERF MET ADVIES bvba, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,

5. DECOPAINT MAASMECHELEN bvba, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseressen woonplaats kiezen,

tegen

COLORA BOELAAR cvba, met zetel te 8791 Beveren (Leie), Nijverheidsstraat 81,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 mei 2007.

Het Hof heeft op 6 maart 2009 een prejudiciële vraag gesteld aan het Benelux-Gerechtshof.

Het Benelux-Gerechtshof heeft die vraag op 20 april 2010 beantwoord.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 774, tweede lid, 1385bis, derde lid en 1385quater Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters verklaren het verzet van de verweerster tegen het bevel tot betalen van 7 juni 2005 grotendeels gegrond en verklaren de tenuitvoerlegging door de eiseressen aangevat met het bevel tot betalen van 7 juni 2005 onrechtmatig behoudens in zoverre het betrekking heeft op de gerechtskosten ten bedrage van 218,15 euro en een tiende van de kosten van voornoemd bevelexploot, op grond van volgende overwegingen:

"De litigieuze tenuitvoerlegging gebeurt, luidens het bevel van 7 juni 2005, krachtens vonnissen van 23 februari 2001, 10 april 2001 en 4 december 2001 van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren en krachtens een arrest van 27maart 2003 van dit Hof.

Zoals terecht gesteld in de bestreden beschikking werd het vonnis van 23 februari 2001 hervormd bij arrest (2001/AR/803) van 04 oktober 2001 van dit (hof van beroep) en het vonnis van 10 april 2001 bij arrest (2001/AR/1260) eveneens van 4 oktober 2001 van dit (hof van beroep), derwijze dat (de verweerster) op grond van deze titels geen dwangsommen noch gerechtskosten aan (de eiseressen) verschuldigd is.

Bij het derde vonnis van 4 december 2001 van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren werd een stakingsbevel opgelegd aan (de verweerster). Dit vonnis werd in hoger beroep eveneens hervormd, m.n. bij arrest van 27 maart 2003 waarbij gesteld werd:

"Wijzigt het bestreden vonnis;

Zegt rechtens dat de eerste rechter en thans het hof niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering tot loutere vaststelling van een inbreuk op de eerlijke handelspraktijken, in hoofde van appellante, bestaande in de niet inschrijving in het handelsregister.

Bevestigt het bestreden vonnis in zover rechtens gezegd werd dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op artikel 23 W.H.P.C. door verwarring te doen ontstaan door het onrechtmatig gebruik van de benaming/slogan "Verf + Advies" bij de uitbating van haar winkel te Genk.

Legt aan appellante verbod op deze benaming "Verf + Advies" of enige variant hiervan te gebruiken in verband met de exploitatie van deze winkel te Genk en dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag na betekening van het bestreden vonnis met een maximum van 50.000 euro.

Bevestigt het bestreden vonnis in zover de rest van de vordering van geïntimeerden, ongegrond werd verklaard.

Zegt rechtens dat de eerste rechter en thans dit hof niet bevoegd zijn om derdemedeplichtigheid aan contractbreuk vast te stellen welke niet kan leiden tot een bevel tot staking".

In dit arrest werd (de verweerster) tevens verwezen in de kosten van eerste aanleg, in hoofde van (de eiseressen) samen begroot op 218,15 euro en werden de kosten van het hoger beroep gecompenseerd.

Het vonnis van 4 december 2001 van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren werd hervormd en werd slechts bevestigd "in zover rechtens gezegd werd dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op artikel 23 W.H.P.C. door verwarring te doen ontstaan door het onrechtmatig gebruik van de benaming/slogan "Verf + Advies" bij de uitbating van haar winkel te Genk" en "in zover de rest van de vordering van geïntimeerden, ongegrond werd verklaard".

Het bij dit vonnis opgelegde verbod, en de tot sanctionering daarvan uitgesproken veroordeling tot een dwangsom, werden niet bevestigd en er werd een anders omschreven verbod opgelegd op sanctie van verbeuring van dwangsommen met andere modaliteiten.

Uit artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek, zoals het moet worden begrepen overeenkomstig het arrest van 15 april 1992 van het Benelux-Gerechtshof volgt dat:

- in geval de rechter in eerste aanleg een dwangsom heeft opgelegd en zijn vonnis op dit punt in hoger beroep wordt bevestigd, de rechter in eerste aanleg geldt als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd;

- de rechter in hoger beroep evenwel als rechter die de dwangsom heeft opgelegd dient beschouwd, wanneer uit het dictum van de beslissing in hoger beroep onmiskenbaar blijkt dat de appelrechter de uitspraak van de rechter in eerste aanleg betreffende de hoofdveroordeling waaraan de veroordeling tot betaling van een dwangsom was verbonden, dan wel veroordeling tot de dwangsom, geheel of ten dele, heeft vernietigd en op één van deze punten een van de uitspraak in eerste aanleg afwijkende beslissing heeft genomen. (zie o.m. Cass. 7.11.2005; Wagner, K, Dwangsom, A.P.R., 2003, nr. 97, p. 94-96).

In casu dient vastgesteld dat in het arrest van dit (hof van beroep), zowel de in het vonnis van 4 december 2001 uitgesproken hoofdveroordeling als de eraan gekoppelde dwangsom werden gewijzigd. Dienvolgens dient het arrest van 27 maart 2003 van dit (hof van beroep) en niet het vonnis van 4 december 2001 van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren beschouwd als de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld in de zin van artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek, zodat slechts dwangsommen konden vervallen na de betekening van dit arrest.

De voorgehouden verbeuring van de dwangsommen dient dan ook uitsluitend getoetst aan het dispositief van dit arrest, en de dwangsommen konden ten vroegste verbeuren na de betekening van dit arrest op 23 april 2003.

De voorgehouden overtredingen vermeld in het litigieuze bevel van 7 juni 2005 onder de letters A en B, die alle dateren van voor 23 april 2003 kunnen dan ook geen aanleiding geven tot verbeuring van dwangsommen.

Grieven

Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging moet de rechter de heropening van de debatten bevelen indien hij zijn beslissing steunt op een verweermiddel dat door de partijen niet was aangevoerd.

De appelrechters beslissen in randnummer 6 van het bestreden arrest dat niet het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 4 december 2001 doch wel het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 dient te worden aangezien als de uitspraak waarbij de dwangsom werd vastgesteld in de zin van artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek en dat, bijgevolg, geen dwangsommen kunnen worden verbeurd voor 23 april 2003, datum van betekening van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003.

De appelrechters beslissen vervolgens in randnummer 7 van het bestreden arrest dat de beweerde overtredingen vermeld in het bevel tot betalen van 7 juni 2005 onder de letters A en B, die allen dateren van voor 23 april 2003, geen aanleiding kunnen geven tot de verbeurte van dwangsommen.

De verweerster voerde in conclusie echter niet aan dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 dient te worden aangezien als de uitspraak waarbij de dwangsom werd vastgesteld in de zin van artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek, zodanig dat geen dwangsommen konden worden verbeurd vóór 23 april 2003, datum van betekening van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003. De conclusie in hoger beroep van de verweerster van 12 januari 2007 maakt inderdaad geen gewag van deze argumentatie.

De appelrechters schenden dan ook het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging en artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek door ambtshalve op grond van voormelde overwegingen te beslissen dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 dient te worden aangezien als de uitspraak waarbij de dwangsom werd vastgesteld in de zin van artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek zodanig dat geen dwangsommen kunnen worden verbeurd voor 23 april 2003, zonder de debatten te heropenen en zonder de eiseressen uit te nodigen om hieromtrent hun standpunt uiteen te zetten.

Tweede onderdeel

Artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.

Artikel 1385quater bepaalt dat de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toekomt aan de partij die de veroordeling heeft verkregen en dat deze partij de dwangsom ten uitvoer kan leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.

Bij bevel tot betalen van 7 juni 2005 vatten de eiseressen de tenuitvoerlegging aan voor de betaling van dwangsommen verbeurd op grond van, en na de betekening van, het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 4 december 2001, zoals hervormd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003. De verbeurte van dwangsommen betrof - onder meer - feiten die plaatsvonden na de betekening van het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 4 december 2001 doch voor de uitspraak van het hof van beroep te Antwerpen.

Ten onrechte oordelen de appelrechters dat de verbeurte van dwangsommen op grond van het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 4 december 2001, zoals hervormd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003, niet kon plaatsvinden voor de betekening van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003, d.i. voor 23 april 2003.

Voor de verbeurte van dwangsommen in de periode tussen de betekening van het vonnis gewezen in eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep dienden de appelrechters geen rekening te houden met de datum van betekening van de uitspraak in hoger beroep (het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003), doch slechts met de betekening van de uitspraak in eerste aanleg (het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 4 december 2001).

Wanneer een gedingvoerende partij met toepassing van artikel 1385quater Gerechtelijk Wetboek (overeenstemmende met artikel 3 Dwangsomwet) gerechtigd was een verbeurde dwangsom ten uitvoer te leggen en de uitspraak waarbij de dwangsom is opgelegd (de titel) gedeeltelijk teniet is gedaan in de loop van, maar voor de beëindiging van de tenuitvoerlegging, dient immers, wat de tenuitvoerlegging betreft, ten aanzien van de verbeurde dwangsom niet anders te worden geoordeeld dan ten aanzien van andere rechtsgevolgen van een tenietgedane rechterlijke uitspraak.

In casu dienden de appelrechters, voor het beoordelen van de verbeurte van dwangsommen in de periode tussen de betekening van de uitspraak in eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep, na te gaan of de verweerster in de periode tussen de betekening van de uitspraak in eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep inbreuken heeft gepleegd op het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 4 december 2001 zoals hervormd door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003.

Door te oordelen dat de verbeurte van dwangsommen op grond van het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 4 december 2001, zoals hervormd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003, niet kon plaatsvinden voor de betekening van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 (d.i. voor 23 april 2003), schenden de appelrechters de artikelen 1385bis, derde lid en artikel 1385quater Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.

Artikel 1385quater van hetzelfde wetboek bepaalt dat, de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toekomt aan de partij die veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.

2. Voornoemde artikelen stemmen overeen met de artikelen 1 en 3 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom.

3. Het Benelux-Gerechtshof heeft in het dictum van zijn arrest van 20 april 2010 verklaard voor recht dat: "Indien de rechter in hoger beroep de in eerste aanleg uitgesproken hoofdveroordeling gedeeltelijk bekrachtigt en de in eerste aanleg opgelegde dwangsom wijzigt en aldus heeft te gelden als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, kan een dwangsom worden verbeurd in de periode tussen de betekening van de uitvoerbare beslissing van de rechter in eerste aanleg en de betekening van de beslissing in hoger beroep, mits onmiskenbaar duidelijk is dat de rechter in hoger beroep een dwangsom in stand heeft gehouden voor dit gedeelte van de in eerste aanleg uitgesproken hoofdveroordeling".

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren in een, bij voorraad uitvoerbare, beschikking van 4 december 2001, een stakingsbevel oplegt ten laste van de verweerster onder verbeurte van een dwangsom;

- dit stakingsbevel in hoger beroep wordt bevestigd door het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 27 maart 2003, maar enkel in zoverre dit stakingsbevel betrekking heeft op het doen ontstaan van verwarring in de uitbating van de verweerster te Genk;

- voormeld arrest aan de verweerster wordt betekend op 23 april 2003;

- de eiseressen op 7 juni 2005 een bevel tot betalen betekenen aan de verweerster voor de invordering van verbeurde dwangsommen krachtens o.m. de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 4 december 2001 en het arrest van 27 maart 2003 voor beweerde inbreuken vanaf de betekening van de genoemde beschikking;

- het verzet van de verweerster wordt afgewezen door de beslagrechter te Antwerpen van 28 juni 2006;

- de verweerster tegen de voormelde beschikking in hoger beroep komt.

5. De appelrechters oordelen dat, aangezien het arrest van 27 maart 2003 zowel de hoofdveroordeling als de eraan verbonden dwangsom heeft gewijzigd, het hof van beroep te Antwerpen geldt als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, zodat de dwangsom enkel kon worden verbeurd vanaf de betekening van dit arrest, hetzij op 23 april 2003. Op grond hiervan beslissen zij dat de in het bevel van 7 juni 2005 vermelde inbreuken die dateren van vóór 23 april 2003 geen aanleiding kunnen geven tot het verbeuren van dwangsommen.

6. Door aldus te oordelen dat de dwangsom niet is verbeurd, zonder na te gaan of het arrest van 27 maart 2003 niet onmiskenbaar de strekking had om de dwangsom in stand te houden voor het in hoger beroep bekrachtigde gedeelte van de in eerste aanleg uitgesproken hoofdveroordeling, schenden de appelrechters de artikelen 1385bis, derde lid en 1385quater, Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de dwangsommen verbeurd vóór 23 april 2003 en oordeelt over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verbeurte

  • Rechter in hoger beroep

  • Dwangsomrechter

  • Betekening

  • Beslissingen

  • In eerste aanleg

  • In hoger beroep

  • Tussenperiode