- Arrest van 17 juni 2011

17/06/2011 - C.06.0639.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De uitvoeringstermijn geeft de schuldenaar de gelegenheid de veroordeling uit te voeren; gedurende die termijn kan hij geen dwangsom verbeuren, daar de dwangsom slechts verschuldigd is indien de hoofdveroordeling niet of niet tijdig is uitgevoerd; art. 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt niet de voorwaarden voor het verlenen van die uitvoeringstermijn (1). (1) Zie Beneluxhof, 11 feb. 2011 (6 arresten), nrs. A 2010/1 t.e.m. A 2010/6, www.courbeneluxhof.be, met concl. van plv. advocaat-generaal Dubrulle, en Cass. 15 maart 2011, AR P.10.1282.N, AC, 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.06.0639.N

R V,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus 1,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 juli 2006.

Het Hof heeft op 24 december 2009 drie prejudiciële vragen gesteld aan het Benelux-Gerechtshof.

Het Benelux-Gerechtshof heeft die vragen op 11 februari 2011 beantwoord.

De verweerder heeft na het arrest van het Benelux-Gerechtshof een nota neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 1385bis, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De derde kamer van het hof van beroep te Antwerpen hervormde in het arrest van 28 juli 2006 het beroepen vonnis op grond van de volgende overwegingen:

"Voor het doen ingaan van de uitvoeringstermijn is geen enkele betekening vereist, maar begint het tijdvak waarbinnen de veroordeelde dient over te gaan tot uitvoering te lopen vanaf het in kracht van gewijsde gaan ervan ... .

Voor het doen verbeuren van de dwangsom daarentegen is wel een betekening vereist, en indien de rechter een termijn toestaat in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek kan dezen eerst ingaan vanaf de betekening, vermits die respijttermijn gekoppeld is aan de accessoire (en niet verplichte) veroordeling tot verbeurte van een dwangsom.

Ter beantwoording van de verwijzing door (de eiseres) naar het cassatiearrest van 28 maart 2003 (eindarrest), moet nog worden vermeld dat de casus die daar besproken werd blijkens de uiteenzetting in het arrest van het Benelux Gerechtshof van 25 juni 2002 verschilt van de situatie die zich hier aanmeldt:

Het Benelux Gerechtshof verwees immers naar de overwegingen van het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2000, waarin (dit) laatste zijn twee vragen formuleerde nadat het overwogen had dat "het bestreden arrest (nl. dit van het hof van beroep te Antwerpen van 1 april 1993) aanneemt dat de dwangsomrechter gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, en beslist dat de aan de veroordeelde verleende termijn eerst ingaat vanaf de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld".

Daaruit blijkt dat de appelrechter in feite had vastgesteld dat in die casus een respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek was verleend.

In het hier voorliggend geval heeft de dwangsomrechter wel een termijn verleend voor het vrijwillig herstel, wat het weze herhaald - niet valt onder de bepaling van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, maar heeft hij geen respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek verleend.

Volledigheidshalve, ook in een tweede arrest van 25 juni 2003 sprak het Benelux Gerechtshof uit in dezelfde zin (zaak Vlaams Gewest t/ J.N.V.).

Besluit:

Door de verwerping van het cassatieberoep op 25 februari 2003 werd het arrest van het hof van beroep van 19 april 2002 definitief en diende vanaf dan het herstel in de oorspronkelijke staat uitgevoerd te zijn.

De termijn van vrijwillig herstel verstreken zijnde op 25 augustus 2003 werd de dwangsom onmiddellijk verbeurd na de betekening van het veroordelend vonnis, het appelarrest en van het cassatiearrest, op 14 oktober 2003".

Grieven

Artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld.

Artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, bepaalt dat de rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren.

De termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, en de termijn gedurende dewelke volgens de beslissing van de rechter de dwangsom niet is verbeurd, zijn van verschillende juridische aard en strekking.

De eerstvermelde termijn is bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen.

De termijn als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet, strekt ertoe de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft.

Zoals blijkt uit het arrest in de zaak A 2000/3 van 25 juni 2002 van het Benelux Gerechtshof, heeft de betekening tot doel ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt en dat de schuldenaar op de hoogte gesteld wordt van de omstandigheid dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft gegund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd.

Daaruit volgt dat de termijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald.

Wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, heeft deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de dwangsom verbeurd wordt.

Deze termijn dient, wat de dwangsom betreft, beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek en gaat derhalve pas in op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald.

De appelrechters stelden in het bestreden arrest vast:

- dat de eiseres op 22 juni 1999 werd veroordeeld door de 13e kamer van de correctionele rechtbank te Hasselt tot herstel van de plaats in de vorige staat binnen de zes maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 frank (lees: 123,95 euro) per dag vertraging bij niet uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn;

- dat dit vonnis in hoger beroep werd bevestigd door het arrest van 19 april 2002 van het hof van beroep, zevende kamer, te Antwerpen;

- dat het cassatieberoep dat tegen alle beschikkingen van voormeld arrest ingesteld op 30 april 2002, werd verworpen bij arrest van 25 februari 2003;

- dat de verweerder op 14 oktober 2003 is overgegaan tot betekening van het vonnis van 22 juni 1999 en van het arrest van 19 april 2002, alsook het cassatiearrest van 25 februari 2003.

Uit de hierboven aangehaalde vaststellingen van de appelrechters in het bestreden arrest blijkt dat de dwangsomrechter een termijn van zes maanden bepaalde voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en besliste dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn.

Deze termijn geeft aan de veroordeelde nog enige tijd om de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft en dient derhalve beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Deze termijn begint dan ook pas te lopen vanaf de betekening van de beslissing van de dwangsomrechter, met name vanaf 14 oktober 2003, zodat de dwangsommen pas konden verbeurd worden vanaf 15 april 2004.

Hieruit volgt dat de appelrechters in het bestreden arrest niet op wettige wijze hebben kunnen beslissen dat de dwangsommen reeds verbeurd konden worden vanaf de datum van de betekening van de beslissing van de dwangsomrechter, met name vanaf 14 oktober 2003 (schending van artikel 1385bis, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 1385bis, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

"De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.

De rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren."

2. In zijn arrest A 2010/3 van 11 februari 2011 heeft het Benelux-Gerechtshof geoordeeld dat:

- artikel 1, lid 3 en lid 4, van de Eenvormige wet betreffende de dwangsom aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde gaan van deze veroordeling met oplegging van een dwangsom zonder respijttermijn, de dwangsom verbeurd is indien zowel de uitvoeringstermijn is verstreken als betekening heeft plaatsgehad;

- uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom niet mag worden afgeleid dat de termijn die bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening;

- artikel 1, lid 4, van de Eenvormige wet betreffende de dwangsom aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel niet verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat, berekend vanaf de betekening van de beslissing, dan de termijn toegestaan voor de uitvoering.

3. De uitvoeringstermijn geeft de schuldenaar de gelegenheid de veroordeling uit te voeren. Gedurende die termijn kan hij geen dwangsom verbeuren, daar de dwangsom slechts verschuldigd is indien de hoofdveroordeling niet of niet tijdig is uitgevoerd. Artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt niet de voorwaarden voor het verlenen van die uitvoeringstermijn.

De respijttermijn geeft de schuldenaar nog enige tijd de veroordeling na te komen, zonder dat de niet-nakoming de dwangsom verbeurt. Voor die respijttermijn geldt wel artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek.

4. Het staat aan de rechter te bepalen of hij naast de uitvoeringstermijn ook een respijttermijn toekent.

5. Wanneer de rechter enkel beslist dat de uitgesproken veroordeling moet uitgevoerd zijn binnen een bepaalde termijn, dit onder verbeurte van een dwangsom, dan verleent hij de schuldenaar uitsluitend een uitvoeringstermijn en geen respijttermijn.

Daaruit volgt dat na het verstrijken van de uitvoeringstermijn niet nog bijkomend eenzelfde respijttermijn begint te lopen vanaf de betekening.

Wanneer de rechter enkel een uitvoeringstermijn verleent, kan de dwangsom verbeurd worden vanaf het verstrijken van die termijn op voorwaarde dat de uitspraak die de dwangsom bepaalt, aan de schuldenaar is betekend.

6. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op voor de eiseres op de som van 583,33 euro en voor de verweerder op de som van 236,27 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Stassijns, waarnemend voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Alain Bloch, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2011 uitgesproken door raadsheer Eric Stassijns, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verbeurte

  • Hoofdveroordeling

  • Uitvoeringstermijn

  • Begrip

  • Artikel 1385bis, vierde lid, Ger.W.

  • Toepasselijkheid