- Arrest van 20 juni 2011

20/06/2011 - C.10.0134.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 1017, eerste lid, 1018, 6°, en 1022, eerste lid Gerechtelijk Wetboek volgt dat de partij tegen wie meerdere partijen onderscheiden vorderingen hebben ingesteld, gerechtigd is op een rechtsplegingsvergoeding vanwege elk van de in het ongelijk gestelde partijen afzonderlijk.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0134.N

ZURICH INSURANCE PUBLIC LIMITED COMPANY, vennootschap naar Iers recht, met zetel te Dublin 4 (Ierland), Ballsbridge Park, Eagle Star House,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. FEDERATIE VAN DE BELGISCHE TEXTIEL VERZORGING, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1731 Zellik, Brusselsesteenweg 478,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest,

2. TEXTIELREINIGING DE REU nv, met zetel te 9950 Waarschoot, Molenstraat 77,

verweerster,

en ten aanzien van

Antoine VAN EECKHOUT, met kantoor te 8800 Roeselare, Henri Horriestraat 44-46, in zijn hoedanigheid van faillissementscurator van de bvba Arion Milieuadvies,

partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 23 juni 2008.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 26 april 2011 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel verwijt het arrest de tot bindendverkaring opgeroepen partij te hebben veroordeeld zonder te hebben vastgesteld dat zij een contractuele of buitencontractuele fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met contractuele of buitencontractuele schade die de eerste of de tweede verweerster zou hebben geleden en zonder te hebben vastgesteld dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij haar aansprakelijkheid heeft erkend, dan wel feiten heeft bekend die aanleiding zouden geven tot een gehoudenheid of aansprakelijkheid.

2. Het onderdeel dat in wezen geen motiveringsgebrek aanvoert maar een onwettigheid, wijst alleen artikel 149 Grondwet als geschonden wetsbepaling aan en is mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

3. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters de vordering tot vrijwaring van de eerste verweerster tegen Arion Milieuadvies bvba niet mocht gegrond verklaren op buitencontractuele grondslag zonder de gevolgen van een mogelijke samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid te onderzoeken, voert het in wezen geen motiveringsgebrek aan, maar een onwettigheid.

Door alleen artikel 149 Grondwet als geschonden wetsbepaling aan te wijzen, is het onderdeel in zoverre bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

4. De appelrechters stellen vast dat Arion Milieuadvies bvba erkent dat zij de kwestieuze adviesverlening heeft gedaan in uitvoering van de samenwerkings-overeenkomst die zij gesloten had met de eerste verweerster en oordelen dat zij dan ook gehouden is om de eerste verweerster te vrijwaren voor de bedragen die de eerste verweerster krachtens dit arrest moet betalen aan de tweede verweerster.

Zij geven aldus te kennen dat Arion Milieuadvies bvba wegens haar contractuele fout tot vrijwaring gehouden is.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest niet verduidelijkt of het de beslissing om Arion Milieuadvies bvba te veroordelen tot vrijwaring van de eerste verweerster baseert op een contractuele dan wel een buitencontractuele grondslag, mist het feitelijke grondslag.

5. Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie dient het arrest dat vaststelt dat de tweede verweerster werd geadviseerd om een leasingovereenkomst te sluiten voor het indienen van de steunaanvraag, niet uitdrukkelijk vast te stellen of en hoe Arion Milieuadvies bvba hierdoor een contractuele inspannings- of resultaatsverbintenis miskende, dan wel heeft nagelaten te handelen volgens de regels van de kunst.

Hieruit volgt dat, bij gebrek aan een daartoe strekkende conclusie, uit het enkele feit dat de appelrechters niet uitdrukkelijk hebben vermeld dat de tot bindendverklaring opgeroepen partij de op haar rustende inspanningsverbintenis miskende, niet blijkt dat dit niet door de appelrechters is onderzocht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

6. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 1135 en 1315 Burgerlijk Wetboek en van artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, zonder te preciseren hoe en waardoor deze wetsbepalingen zijn geschonden, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

7. Uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat het arrest voor de vrijwaringsvordering van de eerste verweerster tegen Arion Milieuadvies bvba uitsluitend de contractuele grondslag aanvaardt.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

8. De appelrechters stellen vast dat:

- uit de verklaringen van de eerste verweerster dient te worden afgeleid dat zij de verschillende posten op het aanvraagformulier zo heeft geïnterpreteerd dat er bij het indienen van de aanvraag al een leasingovereenkomst voorhanden moest zijn;

- de eerste verweerster tevergeefs stelt dat haar brieven aan de minister enkel bedoeld waren om een fout van de tweede verweerster recht te trekken;

- als de eerste verweerster zich niets te verwijten had, zij geen reden had om te schrijven dat zij zich in een moeilijke situatie bevond, omdat de tweede verweerster handelde op haar advies en desondanks door een verkeerde interpretatie het dossier werd afgewezen;

- het feit dat de eerste verweerster zelf als adviseur een verkeerde interpretatie van de verschillende rubrieken op het aanvraagformulier heeft gemaakt, impliceert dat zij de tweede verweerster als leek in de materie niet euvel kan duiden een onjuiste interpretatie te hebben gemaakt;

- Arion Milieuadvies bvba erkende dat zij de kwestieuze adviesverlening heeft gedaan in uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst die zij gesloten had met de eerste verweerster.

Na aldus te hebben vastgesteld dat het aan de tweede verweerster verstrekte advies foutief was en dat Arion Milieuadvies bvba erkende dat zij de kwestieuze adviesverlening heeft gedaan in uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst die zij gesloten had met de eerste verweerster, beslissen de appelrechters dat Arion Milieuadvies bvba gehouden is om de eerste verweerster te vrijwaren voor de bedragen die de eerste verweerster krachtens dit arrest moet betalen aan de tweede verweerster.

9. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de contractuele fout van Arion Milieuadvies bvba afleiden uit het louter bestaan van schade in hoofde van de eerste of de tweede verweerster of uit het loutere feit dat Arion Milieuadvies bvba heeft erkend dat zij de kwestieuze adviesverlening heeft verricht en dat dit gebeurde in uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst die zij op 9 december 2002 had gesloten met de eerste verweerster, mist het feitelijke grondslag.

10. Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uitdrukkelijk vast te stellen dat alle toepassingsvoorwaarden voor de contractuele aansprakelijkheid zijn vervuld.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

11. De tweede verweerster voerde in haar verzoekschrift tot hoger beroep aan dat bewezen was dat het advies foutief was, gelet op de erkenning van fout in de correspondentie van de eerste verweerster en dat ook haar vordering tegen Arion Milieuadvies bvba was gesteund op het aldus vastgesteld foutieve karakter van het advies.

De eerste verweerster voerde tegen Arion Milieuadvies bvba aan dat zijzelf geen enkele tussenkomst deed bij de adviesverlening in het dossier van de tweede verweerster en dat indien het hof van beroep van oordeel zou zijn dat een fout werd gemaakt, die fout alleen werd gemaakt door Arion Milieuadvies bvba, zodat de laatstgenoemde moest worden veroordeeld tot elke schadevergoeding waartoe zij zou worden veroordeeld.

De eiseres heeft in haar appelconclusies op geen enkele manier betwist dat het foutieve karakter van het advies ook ten aanzien van Arion Milieuadvies bvba kon worden ingeroepen.

12. Het onderdeel dat de appelrechters verwijt te oordelen dat het foutieve karakter van het advies, zoals afgeleid uit de brieven van de eerste verweerster, ook ten aanzien van Arion Milieuadvies bvba kan worden ingeroepen, is nieuw en derhalve niet ontvankelijk.

Tweede middel

13. Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1018, 6°, Gerechtelijk Wetboek, omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

14. Uit deze bepalingen volgt dat de partij tegen wie meerdere partijen onderscheiden vorderingen hebben ingesteld, gerechtigd is op een rechtsplegings-vergoeding vanwege elk van de in het ongelijk gestelde partijen afzonderlijk.

15. De appelrechters stellen vast dat:

- de eerste en de tweede verweerster tijdens de beroepsprocedure elk de veroordeling vorderden van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding van 86.123,01 euro, meer intrest sinds 26 mei 2005 en de gedingkosten;

- de eiseres de veroordeling vorderde van de eerste en de tweede verweerster tot de gedingkosten.

De appelrechters hebben de vorderingen van de eerste en de tweede verweerster tegen de eiseres tot betaling van een schadevergoeding afgewezen en hebben enkel de eerste verweerster veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de eiseres.

Door aldus te oordelen, schenden zij artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de kosten van de eiseres.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op de som van 1.219,42 euro en voor de verweersters op de som van 312,54 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 20 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Meerdere partijen

  • Onderscheiden vorderingen tegen één partij

  • Rechtsplegingsvergoeding