- Arrest van 21 juni 2011

21/06/2011 - P.11.1075.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De omstandigheid dat het verhoor van de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 16, §2, Voorlopige Hechteniswet niet enkel geschiedt in aanwezigheid van de raadsman van de inverdenkinggestelde, maar ook in aanwezigheid van de procureur des Konings houdt geen schending in van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de inverdenkinggestelde en brengt niet de nietigheid mee van dit verhoor en de daarop volgende akten (1). (1) Zie D. VANDERMEERSCH, Le mandat d'arrêt nr. 35, in: La détention préventive, Larcier, Bruxelles, 1992.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1075.N

A. B.,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Terence Halsberghe, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8400 Oostende, Archimedesstraat 7, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 56 Wetboek van Strafvordering en artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet, evenals miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest heeft ten onrechte geweigerd het proces-verbaal van verhoor van 20 mei 2011 en het bevel tot aanhouding van 21 mei 2011 wegens schending van de voormelde rechten nietig te verklaren en heeft ten onrechte de beschikking van de raadkamer tot handhaving van voorlopige hechtenis bevestigd; door de fysieke aanwezigheid van de procureur des Konings bij het verhoor van de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter bij toepassing van artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet kan deze de facto niet meer vrijuit spreken; de inverdenkinggstelde en de onderzoeksrechter kunnen daardoor niet meer alle feitelijkheden à charge en à décharge ten volle en in alle onafhankelijkheid in overweging nemen; de loutere fysieke aanwezigheid van de procureur des Konings bij dit verhoor schendt dan ook het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de inverdenkinggestelde; de advocaat van de eiser die bij het verhoor door de onderzoeksrechter aanwezig was "zat er alleen maar bij en keek ernaar", kreeg niet de mogelijkheid om argumenten te doen gelden met betrekking tot het verlenen van een aanhoudingsmandaat en kreeg de facto het verbod inhoudelijke opmerkingen te maken.

2. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.

Het middel dat schending van die bepaling aanvoert, faalt in zoverre naar recht.

3. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de inverdenkinggestelde die niet voortvluchtig is of die zich niet verbergt, moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding, en de inverdenkinggestelde in zijn opmerkingen moet horen.

Artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde moet meedelen dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en hij hem in zijn opmerkingen ter zake moet horen.

4. De omstandigheid dat dit verhoor niet enkel geschiedt in aanwezigheid van de raadsman van de inverdenkinggestelde, maar ook in aanwezigheid van de procureur des Konings houdt geen schending in van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de inverdenkinggestelde en brengt niet de nietigheid mee van dit verhoor en de daarop volgende akten.

De fysieke aanwezigheid van de procureur des Konings laat immers de mogelijkheid voor de inverdenkinggestelde om zijn opmerkingen bedoeld door artikel 16, § 2, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet te laten gelden, onverkort bestaan. Zij doet evenmin afbreuk aan de op de onderzoeksrechter rustende verplichting om overeenkomstig artikel 56, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, het gerechtelijk onderzoek zowel à charge als à décharge te voeren.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

5. In zoverre het middel aanvoert dat de raadsman van de inverdenkinggestelde "er bij zat en ernaar keek", hij in casu geenszins de mogelijkheid kreeg om argumenten te laten gelden met betrekking tot het verlenen van een aanhoudingsmandaat en hem de facto het verbod werd opgelegd ook maar enige inhoudelijke opmerking te maken, verplicht dit het Hof tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,07 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 21 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Onderzoeksrechter

  • Voorlopige Hechteniswet

  • Verhoor van de inverdenkinggestelde

  • Aanwezigheid van de raadsman

  • Aanwezigheid van het openbaar ministerie