- Arrest van 23 juni 2011

23/06/2011 - C.09.0468.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat oordeelt dat de doelstelling van de cliënt bestaat in de keuze van het financiële risico dat hij wil dragen, dat de doelstelling inzake het beleggingsadvies, zoals die in de overeenkomst is vermeld, bestaat in het verkrijgen van advies met betrekking tot een voor honderd percent uit aandelen samengestelde portefeuille, wat een zeer hoog risico oplevert, en dat de cliënt, door de keuze van de samenstelling van de portefeuille, een adviesdoelstelling heeft omschreven in het kader van erg risicovolle beleggingen, zonder dat enige bijzondere wens betreffende het soort beheer of bewarende maatregelen werd geuit, verwart het begrip doelstellingen van de cliënt inzake het advies met dat van de beleggingsinstrumenten die hij kiest en het financiële risico dat hij wil dragen (1). (1) Zie Cass. 24 feb. 2011, AR C.09.0092.F, AC, 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0468.N

D. D.,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FORTIS BANK nv,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 maart 2009.

Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert vier middelen aan waarvan het tweede als volgt is gesteld.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 8, § 2, 2°, en 19 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies, zoals ze van toepassing waren vóór de opheffing ervan bij het koninklijk besluit van 3 juni 2007 besluit tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt de beslissing van de eerste rechter die de rechtsvordering van de eiser niet-gegrond verklaart. Die rechtsvordering strekt ertoe de met de verweerster gesloten beleggingsadviesovereenkomst van 13 januari 1999 nietig te verklaren, in zoverre die overeenkomst de doelstellingen van de eiser inzake beleggingen niet omschreef zoals vereist bij artikel 8, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies. Zij strekt tevens tot teruggave van de ter uitvoering van die overeenkomsten betaalde commissielonen en tot betaling van schadevergoeding. Het baseert die beslissing op de onderstaande redenen:

"Het begrip doelstellingen van de cliënt wordt in de wet niet omschreven. Overeenkomstig de regels voor de uitlegging van de wet geldt dus de gangbare betekenis. De doelstelling van de cliënt bestaat in de keuze van het risico dat hij wil nemen (...).

De beleggingsadviesovereenkomst vermeldt wel degelijk de doelstellingen [van de eiser] inzake het advies.

Volgens artikel 1 van die overeenkomst zal [de verweerster] ‘de oorspronkelijke samenstelling onderzoeken' van de bezittingen in effecten, in liquiditeiten en in goud, ‘en aan de cliënt een algemeen investeringsprogramma voorstellen waarbij rekening zal worden gehouden met diens bijzondere wensen en met vijf aangeboden basisoriëntaties die in punt 2 hieronder nader worden omschreven'.

Artikel 2 vermeldt de vijf oriëntaties waaruit [de eiser] gekozen heeft voor de ‘uit honderd percent aandelen bestaande aandelenportefeuille, dus met een zeer hoog risico'. Het vermeldt vervolgens dat ‘de cliënt de bank uitdrukkelijk opdraagt hem advies te geven voor het beheer van de bezittingen die vallen onder deze overeenkomst volgens de oriëntatie aandelenportefeuille'.

De doelstelling inzake beleggingsadvies staat aldus duidelijk vermeld in de overeenkomst. Die doelstelling bestaat in het verkrijgen van advies met betrekking tot een voor honderd percent uit aandelen samengestelde portefeuille, wat een zeer hoog risico oplevert.

[De eiser] heeft door de keuze van samenstelling van de portefeuille een doelstelling inzake advies met betrekking tot erg risicovolle betrekkingen gedefinieerd, wat onverenigbaar is met de doelstelling die in de conclusie is verwoord, namelijk dat hij zijn bezittingen wil behouden.

Door te kiezen voor de aandelenportefeuille wist [de eiser], zoals de overeenkomst trouwens preciseert, dat hij zich blootstelde aan ernstige risico's, zowel qua winst als qua verlies.

De wens om advies te krijgen in het kader van een actief en dynamisch beheer dat bewarende maatregelen omvat, wordt in de overeenkomst niet vermeld en is geen doelstelling die achteraf kan worden geclaimd.

De adviezen maken deel uit van het algemeen investeringsprogramma dat rekening houdt met de gekozen basisoriëntatie, namelijk de portefeuille, maar niet met bijzondere wensen, zoals die van een dynamisch beheer of het nemen van bewarende maatregelen, aangezien [de eiser] ze niet had vermeld in artikel 10 betreffende bijzondere bepalingen dienaangaande..

De beleggingsadviesovereenkomst omschrijft wel degelijk de doelstellingen [van de eiser] inzake het advies, die passen in de context van erg risicovolle beleggingen en voortvloeien uit de keuze die werd gemaakt voor een aandelenportefeuille, zonder dat enige bijzondere wens betreffende het soort beheer of bewarende maatregelen werd geuit, hoewel de artikelen 1 en 10 daarvoor wel de mogelijkheid bieden".

Grieven

Zoals de eiser staande hield in zijn appelconclusie moest de overeenkomst, krachtens artikel 8, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies, op straffe van nietigheid "de doelstelling van de cliënt inzake het advies overeenkomstig artikel 19" vermelden in een geschreven document.

Artikel 19 van dat besluit luidt als volgt: "Vooraleer een overeenkomst van vermogensbeheer of beleggingsadvies te sluiten dienen de vennootschappen voor vermogensbeheer en de vennootschappen voor beleggingsadvies aan hun cliënten de nodige toelichting te vragen over hun ervaring inzake beleggingen en hun doelstellingen wat betreft de gevraagde diensten".

De Commissie voor het bank-, financie- en assurantiewezen heeft in haar circulaire van 14 augustus 1982 (circulaire nr. BA/1/92, artikel 2.2.2) gewezen op het belang van dat vereiste, volgens hetwelk de overeenkomst de doelstellingen van de cliënt moest preciseren ("In elk individueel contract dienen de doelstellingen van de cliënt op duidelijke wijze te worden vastgelegd. Ook latere wijzigingen in de doelstellingen van de cliënt dienen schriftelijk tussen beide partijen te worden vastgelegd").

Een doelstelling, volgens de gangbare taal, die van toepassing is wanneer er geen specifieke wettelijke definitie bestaat, is een, "gesteld doel, syn. doeleinde, doelwit (van Dale, 20) [Un objectif (...) est "un but à atteindre" (Le Petit Robert, 2004), "un but vers lequel tend l'action de quelqu'un" (Larousse, www.larousse.fr/dictionnaire/français)].

Volgens de bewoordingen zelf van artikel 19 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies zijn de doelstellingen van de cliënt verwant met "doelstellingen wat betreft de gevraagde diensten".

In dit geval echter bevatte de overeenkomst, zoals de eiser in zijn conclusie aanvoerde, geen enkele vermelding over zijn beleggingsdoelstellingen met betrekking tot de diensten die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakten:

- de vermelding in het contract volgens welke hij wenst advies te verkrijgen over het beheer van zijn bezittingen volgens de oriëntatie "aandelenportefeuille" is beperkt tot een omschrijving van de gekozen beleggingsinstrumenten maar vermeldt niet welke doelstelling in het kader van die keuze wordt nagestreefd.

- de vermelding "erg hoog risico" is evenmin de omschrijving van een beleggingsdoelstelling maar een algemene indicatie over het risico dat de belegger wil dragen. Daarbij spreekt het vanzelf dat genoemd risico geen "gesteld doel" is.

Het arrest oordeelt niettemin dat de beleggingsadviesovereenkomst de doelstelling van de eiser omschreef in zoverre zij zijn keuze voor een belegging in aandelen vermeldde en preciseerde dat deze een erg hoog risico bevatte.

Aldus verwart het arrest, enerzijds, de begrippen door de cliënt gekozen beleggingsinstrumenten en het door hem aanvaarde financiële risico, welke begrippen eigen zijn aan een vermogensbeheerovereenkomst en, anderzijds, de in de regelgeving bedoelde doelstellingen van de cliënt inzake de beleggingsadviesovereenkomst.

Zoals de eiser in zijn conclusie aanvoerde, zijn de vermelding van de keuze van de beleggingsinstrumenten en van het aanvaarde financiële risico immers specifieke vermeldingen die opgelegd zijn door de regelgeving inzake vermogensbeheer (respectievelijk artikelen 8, § 1, 3°, en 8, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991) en hebben ze niets te maken met de beleggingsadviesovereenkomst.

De keuze om een aandelenportefeuille aan te houden, ook al wordt toegegeven dat die keuze een hoog risico kan inhouden, vormt duidelijk niet de doelstelling van de cliënt m.b.t. tot in de toekomst aan te bevelen beleggingen. Het is immers ondenkbaar dat de doelstelling van de belegger er als zodanig zou in bestaan "een erg hoog risico" te nemen.

In werkelijkheid bepaalt het soort beleggingsbeheer (conservatief of actief) grotendeels de doelstelling van de belegger in de zin van artikel 8, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991.

Die doelstelling moet echter, zoals hierboven vermeld, krachtens de artikelen 8, § 2, 2°, en 19 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies in de beleggingsadviesovereenkomst worden vermeld, ook al heeft de cliënt niet de wens geuit ze in de overeenkomst te vermelden.

Het arrest dat op grond van de in het middel weergegeven redenen oordeelt dat de beleggingsadviesovereenkomst geldig was omdat de vermelding volgens welke de eiser had gekozen voor beleggingen in aandelen en dat daaraan een erg hoog risico was verbonden, overeenstemde met het begrip doelstelling in de zin van de in het middel aangewezen artikelen 8, § 2, 2°, en 19 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, schendt die bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Overeenkomstig artikel 19 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies dienen de vennootschappen voor vermogensbeheer en de vennootschappen voor beleggingsadvies, vooraleer ze een overeenkomst van vermogensbeheer of beleggingsadvies sluiten, aan hun cliënten de nodige toelichting te vragen over hun ervaring inzake beleggingen en hun doelstellingen wat betreft de gevraagde diensten.

Artikel 8, § 2, eerste lid, 2°, van dat koninklijk besluit bepaalt dat vennootschappen voor beleggingsadvies geen diensten van beleggingsadvies aan een cliënt mogen verlenen alvorens met hem een schriftelijke overeenkomst te hebben gesloten, over de doelstelling van de cliënt inzake het advies overeenkomstig artikel 19.

Het arrest stelt vast dat "[de eiser] een dagvaarding heeft uitgebracht [...] opdat voor recht zou worden gezegd dat de beleggingsadviesovereenkomst en het bijvoegsel ervan nietig zou worden verklaard en opdat [de verweerster] bijgevolg veroordeeld zou worden om hem de door haar ontvangen commissielonen van 13.144 euro terug te geven en hem het voorlopige bedrag van 304.153,49 euro vermeerderd met gerechtelijke interest te betalen", "wat overeenstemt met de waardevermindering [van zijn portefeuille]".

Het arrest wijst erop dat "de beleggingsadviesovereenkomst van 13 januari 1999, volgens [de eiser], de in artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies vervatte verplichting om de doelstelling van de cliënt te preciseren, niet nakomt" en dat "de overeenkomst [...] geen enkele [...] beleggingsdoelstelling vermeldt".

Het arrest stelt vast dat " [de verweerster], volgens artikel 1 van die overeenkomst, ‘de oorspronkelijke samenstelling zal onderzoeken' van de bezittingen in effecten, in liquiditeiten en in goud, ‘en aan de cliënt een algemeen investeringsprogramma zal voorstellen waarbij rekening zal worden gehouden met diens bijzondere wensen en met vijf aangeboden basisoriëntaties die in punt 2 hieronder nader worden omschreven'".

Het arrest stelt vast dat "artikel 2 de vijf oriëntaties vermeldt waaruit [de eiser] gekozen heeft voor de ‘uit honderd percent aandelen bestaande aandelenportefeuille, dus met een zeer hoog risico'", en dat "het vervolgens vermeldt dat ‘de cliënt de bank uitdrukkelijk opdraagt hem advies te geven voor het beheer van de bezittingen die vallen onder [...] de overeenkomst volgens de oriëntatie aandelenportefeuille'".

Het arrest overweegt dat " de doelstelling van de cliënt bestaat in de keuze van de risico's [die hij] wil dragen".

Het arrest leidt uit die vermeldingen af dat "de doelstelling inzake advies en beleggingen aldus duidelijk vermeld staat in de overeenkomst", dat "die doelstelling bestaat in het verkrijgen van advies met betrekking tot een voor honderd percent uit aandelen samengestelde portefeuille, wat een zeer hoog risico oplevert" en dat de eiser "door de keuze van samenstelling van de portefeuille, een adviesdoelstelling heeft omschreven in het kader van erg risicovolle beleggingen", "zonder dat enige bijzondere wens betreffende het soort beheer of bewarende maatregelen werd geuit, hoewel de artikelen 1 en 10 van de overeenkomst daarvoor wel de mogelijkheid bieden".

Het arrest verwart aldus het begrip doelstelling van de cliënt inzake het advies met dat van de beleggingsinstrumenten die hij kiest en het financiële risico dat hij wil dragen, schendt bijgevolg artikel 8, § 2, van het voornoemde koninklijk besluit en verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om de vorderingen van de eiser niet-gegrond te verklaren.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 23 juni 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beleggingsadviesovereenkomst

  • Voorafgaande voorwaarde

  • Schriftelijke overeenkomst

  • Doelstellingen van de cliënt

  • Aanvaard financieel risico