- Arrest van 27 juni 2011

27/06/2011 - C.09.0290.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen inzake ter beurze genoteerde vennootschappen, reglementering van de openbare overnameaanbiedingen en wijzigingen in de controle op vennootschappen niet zelf de prijs van het uitkoopbod mag bepalen, onderzoekt zij niettemin of de door de bieder geboden prijs de belangen van de effectenhouders veiligstelt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0290.F

1. DEMINOR ACTIVE GOVERNANCE FUND, gemeenschappelijk fonds naar Nederlands recht,

2. TRAFALGAR ENTROPY FUND,

3. TRAFALGAR CATALYST FUND,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. GDF SUEZ, vennootschap naar Frans recht,

Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. ELECTRABEL nv,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 december 2008.

De zaak is bij beschikking van 18 november 2010 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De door de eerste verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het middel mist belang :

De eerste verweerster betoogt dat het arrest de rechtsvordering van de eisers ook verwerpt op grond van een tweede reden, waarop het middel geen kritiek uitoefent en volgens welke de eerste verweerster zich terecht beroept op de instemming van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen met het uitkoopbod.

Het arrest beslist dat "de [eisers], in tegenstelling tot wat zij beweren, met name dat zij de instemming van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen met het uitkoopbod niet betwisten, in de onderhavige procedure wel degelijk rechtstreeks kritiek uitoefenen op de beoordeling door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen van de voorwaarden van het door [de eerste verweerster] uitgebrachte bod, door de aangewende evaluatiemethodes en de toepassing ervan te bekritiseren en andere methodes voor te stellen die volgens hun berekeningen een hogere dan de aangeboden prijs opleveren. In die omstandigheden moet afwijzend worden beschikt op de rechtsvordering van de [eisers], die niet gericht is tegen de beslissing van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen om [de eerste verweerster] te machtigen het uitkoopbod uit te brengen, een beslissing waarop [de eerste verweerster] zich in deze procedure terecht beroept".

Die reden, die niet losstaat van de betwiste reden, schraagt niet de beslissing om de rechtsvordering van de eisers te verwerpen.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Eerste onderdeel

Artikel 15, § 1, van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen, dat te dezen van toepassing is, bepaalt dat, voor de openbare overnameaanbiedingen en de verrichtingen die een wijziging met zich meebrengen in de controle op de vennootschappen die een openbaar beroep doen of gedaan hebben op het spaarwezen, de Koning alle maatregelen kan nemen die tot doel hebben "de informatieverstrekking aan en de gelijke behandeling van houders van effecten te verzekeren en hun belangen veilig te stellen" en de transparantie en de goede werking van de markt te bevorderen.

Luidens artikel 15, § 2, 9°, van die wet, zoals het is ingevoerd door artikel 3 van de wet van 16 juni 1998 tot wijziging van artikel 190quinquies, § 1, van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935, kan de Koning het in het voormelde artikel 190quinquies, § 1, bepaalde uitkoopbod reglementeren en inzonderheid de te volgen procedure "en de wijze van vaststelling van de prijs van het uitkoopbod" bepalen.

Luidens de memorie van toelichting van de wet van 16 juni 1998 houdt de goedkeuring van het prospectus door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen "onder meer ook een beoordeling in van het uitkoopbod dat, inzonderheid qua prijs, zodanig moet zijn geformuleerd dat de belangen van de effectenhouders die het voorwerp van het uitkoopbod zijn, veilig zijn gesteld (artikel 45, 4°, van het koninklijk besluit van 8 november 1989)".

Artikel 190quinquies, § 1, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen is thans artikel 513, § 1, Wetboek van handelsvennootschappen geworden.

Artikel 15, § 3, van de voormelde wet van 2 maart 1989 bepaalt dat alleen de Bankcommissie belast is met het toezicht op de toepassing van de krachtens de eerste en de tweede paragraaf genomen besluiten.

Op grond van artikel 16 van die wet kan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen alle maatregelen nemen en aanmaningen geven om de correcte toepassing te waarborgen van de krachtens artikel 15, § 1 en 2, genomen besluiten.

Artikel 45, 4°, van het koninklijk besluit van 8 november 1989 op de openbare overnameaanbiedingen en de wijzigingen in de controle op vennootschappen bepaalt dat elk openbaar uitkoopbod aan de volgende voorwaarden moet voldoen : "de voorwaarden en regels voor het bod moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit besluit ; bovendien moeten zij, inzonderheid qua prijs, zodanig zijn geformuleerd dat de belangen van de effectenhouders veilig zijn gesteld".

Volgens artikel 46 van dat koninklijk besluit moet de persoon die alleen dan wel in onderling overleg 95 pct. bezit van de stemrechtverlenende effecten van een naamloze vennootschap die een openbaar beroep op het spaarwezen doet of gedaan heeft, en alle effecten van die vennootschap wenst te verwerven, dit vooraf ter kennis brengen van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. Die kennisgeving moet, "naast de prijs, de voorwaarden en de voornaamste regels voor het bod, gegevens bevatten waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 45 is voldaan".

Wanneer de Commissie voor het Bank- en Financiewezen een kennisgeving overeenkomstig artikel 46 heeft ontvangen, maakt zij deze kennisgeving openbaar (artikel 56 van het koninklijk besluit).

De houders van effecten waarop het bod slaat, beschikken over een termijn van vijftien dagen om de Commissie voor het Bank- en Financiewezen hun bezwaren mede te delen tegen het bod "en, inzonderheid, tegen de waardering van de effecten van de doelvennootschap of de geboden prijs, gelet op de zorg om hun belangen veilig te stellen". Na afloop van die termijn van vijftien dagen kan de Commissie binnen vijftien dagen aan de bieder mededelen "welke opmerkingen zij heeft over het bod". Indien de Commissie geen opmerkingen over het voorgestelde bod meent te moeten maken, kan zij meteen uitspraak doen over de goedkeuring van het prospectus (artikel 57 van het koninklijk besluit).

Indien de Commissie voor het Bank- en Financiewezen opmerkingen heeft over het voorgestelde bod, beschikt de bieder over een termijn van vijftien dagen na de mededeling van die opmerkingen om daarop te reageren en eventueel "zijn bod te wijzigen in gunstigere zin voor de effectenhouders". Na afloop van die termijn van vijftien dagen doet de Commissie voor het Bank- en Financiewezen uitspraak over de goedkeuring van het prospectus, "behoudens toepassing van artikel 16 van de wet van 2 maart 1989" (artikel 58 van het koninklijk besluit).

Het optreden van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen waarborgt dat de minderheidsaandeelhouders, in ruil voor de door de meerderheidsaandeelhouders verkregen effecten, een vergoeding ontvangen die in een redelijke verhouding staat tot de waarde van die effecten.

Uit die teksten en uit de opzet ervan volgt dat de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen weliswaar niet zelf de prijs van het uitkoopbod mag vaststellen, maar dat zij niettemin nagaat of de door de bieder geboden prijs de belangen van de effectenhouders veiligstelt.

Het onderdeel dat geheel berust op de onjuiste veronderstelling dat het toezicht van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen op een openbaar uitkoopbod van aandelen van een vennootschap die een openbaar beroep op het spaarwezen heeft gedaan of doet, zoals bedoeld in artikel 513, § 1, Wetboek van vennootschappen, beperkt blijft tot een toezicht op de waarde, de oprechtheid en de volledigheid van de voor het publiek bestemde inlichtingen die het prospectus moet bevatten en geen betrekking mag hebben op het bedrag van het bod, faalt naar recht.

Vijfde onderdeel

De door de eerste verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel verplicht het Hof feitelijke gegevens te onderzoeken:

Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid maakt onlosmakelijk deel uit van het onderzoek van de gegrondheid van het middel.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel

Het arrest erkent, zonder wat dat betreft bekritiseerd te worden, dat de eisers een subjectief recht op een aanvulling op de prijs hebben en dat de wetgever hen niet alle rechtsmiddelen heeft ontzegd die gegrond zijn op de niet-naleving van artikel 45, 4°, van het koninklijk besluit van 8 november 1989.

Het staat de hoven en rechtbanken niet de opportuniteit te beoordelen van een administratieve handeling waarop een vordering, een verweer of een exceptie berust, maar ze hebben krachtens artikel 159 van de Grondwet daarentegen de bevoegdheid en de plicht de interne en externe wettigheid ervan te toetsen alvorens uitwerking eraan te verlenen. Die regel is van toepassing op elke individuele administratieve handeling die rechten doet ontstaan.

Het arrest vermeldt dat "de beslissing op grond waarvan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen na afloop van een onderzoek vaststelt dat de voorwaarden van het openbaar uitkoopbod de belangen van de minderheidsaandeelhouders veiligstellen, juridische gevolgen heeft ten aanzien van de bieder en de houders van effecten", dat "de bescherming die de houders van effecten bij een uitkoopbod genieten door het optreden van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, dus vereist dat een dergelijke beslissing uitdrukkelijk wordt gewezen en met redenen wordt omkleed", dat "die beslissing krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moet gemotiveerd worden" en dat "de opgelegde motivering krachtens artikel 3 van dezelfde wet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen".

Het arrest beslist dat "[de eerste verweerster] dus ten onrechte lijkt te menen dat de goedkeuring van het prospectus van het uitkoopbod door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, na een grondig onderzoek van meer dan drie maanden tijdens hetwelk de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen haar opmerkingen aan de bieder heeft medegedeeld, een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing over de overeenstemming van de voorwaarden van het bod met de belangen van de effectenhouders oplevert" en dat "de bekendgemaakte documenten, de enige waartoe de houders van de Electrabel-effecten toegang hadden, geen melding maken van de beslissing van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen dat de voorgestelde prijs correct is en, a fortiori, evenmin van de redenen waarop die beoordeling zou zijn gegrond".

Het arrest, dat eerst vaststelt dat de goedkeuring van de voorwaarden van het uitkoopbod door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen onwettig was maar die beslissing vervolgens niet verwerpt, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om de vordering van de eisers tot betaling van een aanvulling op de prijs te verwerpen, op grond dat hun rechtsvordering niet gericht is tegen de beslissing van die commissie.

Het onderdeel is gegrond.

De andere onderdelen van het middel

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere onderdelen, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie.

Tweede middel

Artikel 18ter, § 1, van de wet van 2 maart 1989, dat op het geschil van toepassing is, bepaalt dat elke vordering die volledig of gedeeltelijk steunt op één of meer bepalingen van hoofdstuk II of op bepalingen die door de Koning zijn vastgelegd met toepassing van artikel 15, § 1 en 2, van die wet, onder de uitsluitende bevoegdheid van het hof van beroep te Brussel valt.

Volgens artikel 18ter, § 5, kan het hof van beroep in eerste instantie geen andere vordering behandelen dan bedoeld in § 1, met dien verstande dat de regels van het Gerechtelijk Wetboek inzake samenhang en tegeneis niet hoeven te worden toegepast.

Krachtens artikel 15, § 2, 9°, kan de Koning het uitkoopbod bepaald in artikel 190quinquies, § 1, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen reglementeren en inzonderheid de te volgen procedure en de wijze van vaststelling van de prijs van het uitkoopbod bepalen.

Artikel 46 van het koninklijk besluit van 8 november 1989, dat ter uitvoering van dat artikel 15, § 2, 9°, is uitgevaardigd, verplicht de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een openbaar uitkoopbod wenst uit te brengen, dit ter kennis te brengen van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen.

Luidens artikel 47, 3°, van dat koninklijk besluit, moet de bieder bij zijn kennisgeving aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen een dossier voegen dat overeenkomstig haar voorschriften is opgemaakt en dat met name "het advies van de raad van bestuur van de doelvennootschap bevat, waarin de raad stelt dat het door de bieder opgestelde prospectus naar zijn oordeel geen leemten vertoont of geen gegevens bevat die de effectenhouders van de doelvennootschap kunnen misleiden. Bovendien moet in dit advies het oordeel staan van de raad van bestuur over het verslag van de onafhankelijke expert. Tot slot moet het advies vermelden of de raad van bestuur vindt dat met de prijs de belangen van de effectenhouders al dan niet veilig kunnen worden gesteld".

Het arrest vermeldt, zonder dienaangaande bekritiseerd te worden, dat de eisers hun vordering tot veroordeling van de tweede verweerster gronden op de omstandigheid dat zij "haar algemene zorgvuldigheidsplicht zou hebben verzuimd toen zij de kennisgeving opstelde die de [eerste verweerster] in het kader van de procedure van het openbaar uitkoopbod aan de Commissie van het Bank- en Financiewezen diende voor te leggen, door foutieve beoordelingen van het billijk karakter van de door de bieder aangeboden prijs, die een zorgvuldige en bedachtzame doelvennootschap in dezelfde omstandigheden niet zou hebben begaan" en op het feit dat de tweede verweerster "zich schuldig zou hebben gemaakt aan derdemedeplichtigheid door deel te nemen aan de bedrieglijke handelingen [van de eerste verweerster] om de houders van Electrabel-effecten te misleiden".

Het arrest schendt geen van de in het middel bedoelde bepalingen wanneer het beslist dat die vordering niet valt onder de toepassing van artikel 18ter van de wet van 2 maart 1989 en dat het hof van beroep te Brussel bijgevolg niet bevoegd is om daarover uitspraak te doen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de eisers tegen de eerste verweerster en over de kosten tussen de partijen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eisers in de kosten van de tweede verweerster, houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Gustave Steffens en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 27 juni 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Ter beurze genoteerde vennootschappen

  • Openbare overnameaanbiedingen

  • Bankcommissie

  • Toezicht

  • Effectenhouders

  • Belangen