- Arrest van 27 juni 2011

27/06/2011 - C.10.0065.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een persoon die wettig in hechtenis werd genomen en die, derhalve, geen recht op vergoeding voor de hoven en de rechtbanken kan doen gelden, heeft via een rechtsmiddel dat hij voor de bij wet aangewezen overheid kan instellen evenwel de mogelijkheid om ten laste van de Schatkist de billijke vergoeding te verkrijgen van de schade die hij geleden heeft door een onwerkzaam gebleken hechtenis (1). (1) Art. 28, Wet Onwerkzame Hechtenis, vóór de wijziging ervan bij W. 30 dec. 2009; zie Cass. 10 april 1992, AR 7397, AC, 1991-92, nr. 431, met concl. adv.-gen. du Jardin.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0065.F

BELGISCHE STAAT, minister van Justitie,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 27 januari 2009 van het hof van beroep te Brussel.

De zaak is bij beschikking van 9 maart 2010 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 144, 145 en 146 van de Grondwet ;

- artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet 30 december 2009 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat "de ‘onwerkzame hechtenis' en de overschrijding van de ‘redelijke termijn' zijn aangetoond" en dat "de in het dictum van dit arrest bepaalde vergoeding ... de gevolgen van de ‘onwerkzame hechtenis' en het overschrijden van de 'redelijke termijn' naar billijkheid vergoedt" en "veroordeelt de eiser vervolgens om aan de verweerder een bedrag van tweeduizend euro te betalen, vermeerderd met de gerechtelijke interest te rekenen van de datum van het arrest tot de dag van betaling en veroordeelt de eiser in de kosten van de twee instanties", om de volgende redenen:

"Over de grief van de eiser betreffende de handhaving van de voorlopige hechtenis van de verweerder van 10 tot 26 november 1998

De verweerder oefent wel kritiek uit op de uitvaardiging van het aanhoudingsbevel, maar verwijt de raadkamer niet dat zij de voorlopige hechtenis heeft bevestigd bij beschikking van 13 november 1998. [...] In dat opzicht wordt de eiser dus geen enkele fout verweten;

Aangezien de raadkamer bij beschikking van 18 april 2002, op eensluidend advies van het openbaar ministerie, verklaard heeft dat "er geen grond tot vervolging bestaat", rijst daarentegen de vraag of de hechtenis van de verweerder onwerkzaam is en overeenkomstig zijn vordering vergoed moet worden met toepassing van de artikelen 27 en 28 van de wet van du 13 maart 1973;

De bij de wet van 13 maart 1973 voorgeschreven vergoeding vormt geen vergoeding voor schade in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij moet worden toegekend wanneer voldaan is aan de bij die bepaling opgelegde voorwaarden;

Het hof van beroep wijst erop dat de verweerder zijn vordering tegen de eiser heeft ingeleid bij akte van 4 november 2003 en dat de raadkamer de buitenvervolgingstelling heeft bevolen bij beschikking van 18 april 2002, waaruit eventueel kan blijken dat de ondergane hechtenis onwerkzaam was. Hieruit kan worden afgeleid dat de verjaring, bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, niet is ingetreden;

De beschikking tot buitenvervolgingstelling, die verwijst naar de vordering van de procureur des Konings, volgens welke 'aan de inverdenkinggestelde onvoldoende feiten ten laste kunnen worden gelegd', stelt te dezen niet uitdrukkelijk vast dat het feit dat tot de voorlopige hechtenis heeft geleid, geen misdrijf is (zie artikel 28, § 1, d), van de wet van 13 maart 1973), zodat de verweerder alleen aanspraak kan maken op een vergoeding voor onwerkzame hechtenis als hij aantoont dat er gegevens in feite of in rechte bestaan waaruit zijn onschuld blijkt (artikel 28, § 1, b), van dezelfde wet).

Wat dat betreft, en ondanks de hierboven vermelde gegevens op grond waarvan de onderzoeksrechter een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, blijkt uit het strafdossier dat de hechtenis van de verweerder en de handhaving ervan gedurende zestien dagen niet te wijten zijn aan zijn gedrag maar wel aan de verklaringen van M.S., die hem wel feiten heeft verweten waarvan zij het slachtoffer was geworden maar aan de onderzoekers geen volledig en correct relaas van de feiten heeft gegeven (zie met name het samenvattend proces-verbaal van 22 juni 1999; het verslag van D.S., psycholoog, die door de onderzoeksrechter als deskundige was aangewezen in het kader van het strafdossier en die tot het volgende besluit komt: 'hoewel mevrouw S. duidelijk het slachtoffer van agressie is geworden, moet haar versie op grond van de voorgaande elementen benaderd worden met de nodige ...'; het verslag van dokter M. G., neuropsychiater, die door de onderzoeksrechter eveneens als deskundige was aangewezen, waarin hij besluit dat haar ‘labiele en gestoorde persoonlijkheid ervoor zorgen dat haar beweringen met zeer veel terughoudendheid moeten worden benaderd');

Uit de voorgaande vaststellingen en overwegingen blijkt dat de vordering tot vergoeding voor onwerkzame hechtenis in beginsel wel degelijk gegrond is".

Grieven

Volgens artikel 28, § 1, b), van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis, in de versie bedoeld in het middel, mag elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging, aanspraak maken op een vergoeding, indien hij, na een beschikking van buitenvervolgingstelling te hebben verkregen, het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt.

Luidens de derde paragraaf van diezelfde bepaling moet een dergelijke vergoeding worden gevraagd bij een verzoekschrift gericht aan de Minister van Justitie, indien de persoon die een onwerkzame hechtenis heeft ondergaan geen vordering tot schadevergoeding kan instellen voor de gewone gerechten.

In geval van een wettige maar onwerkzame hechtenis stelt de wet de betrokkene met andere woorden een uitzonderlijk rechtsmiddel ter beschikking. De door de wetgever ingevoerde vergoedingsregeling beschermt dus geen subjectief recht maar slechts een belang om vergoed te worden, zodat niet de hoven en rechtbanken van de gerechtelijke orde krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet bevoegd zijn om over die vergoeding uitspraak te doen, maar wel de instantie die de wet speciaal daartoe heeft ingesteld, namelijk de Minister van Justitie, onder voorbehoud van een hoger beroep dat kan worden ingesteld voor de desbetreffende commissie, die uitspraak doet naar billijkheid.

Overigens blijkt uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, dat de vergoeding van de verweerder een andere grondslag kan hebben, daar het hof van beroep beslist heeft dat de verweerder de eiser geen enkele fout verwijt met betrekking tot de handhaving van zijn voorlopige hechtenis en geen enkele andere grondslag vermeldt.

Het arrest, dat de eiser veroordeelt tot betaling van een bedrag van tweeduizend euro vermeerderd met de gerechtelijke interest, met name wegens "onwerkzame hechtenis", heeft vastgesteld dat" [de eiser] in dat opzicht [...] geen enkele fout wordt verweten", en eigent zich vervolgens dus de bevoegdheid toe om uitspraak te doen over een vordering die gegrond is op artikel 28, § 1, b), in de versie bedoeld in het middel, van de wet van 13 maart 1973, terwijl, krachtens de derde paragraaf van voormeld artikel 28, niet de hoven en rechtbanken maar de Minister van Justitie bevoegd is om over die vordering uitspraak te doen (schending van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet en 28, § 1, b), in de versie bedoeld in het middel, van de wet van 13 maart 1973).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

Artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis bepaalt, in de eerste drie paragrafen, dat elke persoon die, in de daarin bepaalde gevallen, in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging, aanspraak mag maken op een vergoeding waarvan het bedrag naar billijkheid wordt vastgesteld en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en privaat belang.

De derde paragraaf, eerste lid, van dat artikel, bepaalt dat, indien de betrokkene geen vordering tot schadevergoeding voor de gewone gerechten kan instellen, de vergoeding moet worden gevraagd bij een verzoekschrift gericht aan de minister van Justitie.

De betrokkene kan zich in de in het derde lid van dezelfde paragraaf bedoelde gevallen wenden tot de overeenkomstig de vierde paragraaf ingestelde commissie.

Die bepalingen bieden een persoon die wettig in hechtenis werd genomen en die, derhalve, geen recht op vergoeding voor de hoven en de rechtbanken kan doen gelden, de mogelijkheid om ten laste van de Schatkist de billijke vergoeding te verkrijgen van de schade die hij geleden heeft door een onwerkzaam gebleken hechtenis, door hem te dien einde een rechtsmiddel aan te reiken dat hij voor de daarin aangewezen overheden kan instellen.

Het arrest, dat uitsluit dat er een fout was begaan op het ogenblik dat er tegen de verweerder een aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd, dat vaststelt dat de verweerder niet betoogt dat er een fout was begaan op het ogenblik dat de raadkamer de handhaving van de voorlopige hechtenis beval en dat geen enkele omstandigheid vermeldt dat hem recht op vergoeding geeft, maar dat beslist dat noch de hechtenis noch de handhaving ervan te wijten zijn aan de gedraging van de verweerder, schendt artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 door het hof van beroep bevoegd te verklaren om de eiser om die reden te veroordelen om aan de verweerder een vergoeding te betalen voor onwerkzame hechtenis.

Het middel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond verklaart, voor zover het gegrond is op artikel 28 van de wet van 13 maart 1973, in zoverre het de eiser veroordeelt om aan de eiser een bedrag van tweeduizend euro te betalen, vermeerderd met de gerechtelijke interest, en in zoverre het uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vergoeding

  • Vordering

  • Bij wet aangewezen overheid