- Arrest van 27 juni 2011

27/06/2011 - S.10.0016.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verjaring van de vordering tot de invordering van de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage gaat in op de laatste dag van de maand volgend op die van de toezending van het berekeningsblad aan de onderworpene (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas., nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0016.F

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H. A.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 april 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert één middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1168, 1181, 1182 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 2262 in de versie voorafgaand aan de wet van 10 juni 1998;

- voor zoveel als nodig, de artikelen 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoerd door artikel 5 van de wet van 10 juni 1998, en 10 en 11 van voornoemde wet;

- de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen in hun oorspronkelijke versie;

- artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen;

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de vordering van de eiser tot de invordering van de door [de verweerder] verschuldigde bijzondere bijdrage om de volgende redenen verjaard:

"20. Krachtens de wet van 28 december 1983 ontstaat de bijdrageschuld uit een welbepaalde concrete situatie: het overschrijden van een bepaalde netto inkomensschijf van gezamelijk belastbare inkomsten in de personenbelasting voor het desbetreffende inkomstenjaar;

De bijdrageschuld kan niet ontstaan vooraleer alle voorwaarden van die bijdrage vervuld zijn. Het netto bedrag van de gezamelijk belastbare inkomens in de personenbelasting wordt slechts bepaald na het verstrijken van een bepaalde periode. Het ogenblik waarop de bijdrageschuld vaststaat is gekoppeld aan de fiscale procedure die het netto belastbaar inkomen vaststelt.

[Het arbeidshof] meent dat [eisers] vordering tot invordering verjaart vanaf het ogenblik dat de gegevens van de belastbare inkomens waarop de bijdrage is berekend vaststaan: pas op dat ogenblik kan de bijzondere bijdrageschuld immers werkelijk worden vastgesteld. Slechts op dat ogenblik staat de schuld vast en kan ze worden ingevorderd;

Bijgevolg begint de verjaringstermijn slechts te lopen vanaf de dag waarop het (fiscale) kohier uitvoerbaar wordt dat het bedrag vaststelt van het gezamelijk belastbaar netto inkomen voor het in aanmerking genomen inkomstenjaar, op een hoger bedrag dan de schijf die de wet van 28 december 1983 bepaalt;

Die conclusie dringt zich op zelfs al loopt de verwijlinterest zodra de provisionele bedragen niet binnen de termijn werden gestort;

21. [Het arbeidshof] deelt het standpunt van [de eiser] niet volgens welk de verjaringstermijn pas begint te lopen vanaf de datum waarop het berekeningsblad werd toegezonden. Nadat het kohier uitvoerbaar is verklaard, is er uiteraard een termijn nodig waarbinnen de fiscale administratie [de eiser] op de hoogte kan brengen (artikel 66) en [de eiser] het berekeningsblad van de bijdrage kan opstellen. Maar dat gegeven, dat mede ervoor zorgt dat [de eiser] kennis heeft van het bestaan van de schuld en van zijn vordering, kan zonder wettelijke basis de aanvang van de verjaringstermijn niet uitstellen;

[De eiser]verdedigt de stelling dat de verjaringstermijn kan beginnen lopen vanaf het einde van de termijn van het fiscaal beroep maar die stelling heeft geen wettelijke grondslag. Dat doet in dit geval trouwens niets ter zake.

22. Ten slotte oordeelt [het arbeidshof] dat [eisers] vordering tot invordering onder de toepassing valt van de regels van het gemeen recht op de verjaring met dien verstande dat de verjaringstermijn niet langer dan vijf jaar mag zijn. De vordering verjaart vanaf het ogenblik dat de gegevens over de belastbare inkomsten waarop de bijzondere bijdrage wordt berekend vaststaan, met name op de datum van het uitvoerbaar kohier;

De toepassing van die regels leidt tot de vaststelling dat de vordering van [de eiser] tegen [de verweerder] verjaard is: het uitvoerbaar kohier van het adminstratief dossier dateert van 28 april 1987, en de dagvaarding werd op 18 februari 2003 ter kennis gebracht, dus na de termijn van vijf jaar. Indien de termijn van drie jaar in aanmerking wordt genomen, dan is de verjaring a fortiori ingetreden".

Grieven

1. In hun oorspronkelijke versie legden de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid op aan de "personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto bedrag van de gezamelijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt voor de aanslagjaren 1983, 1984 en 1985" (dus voor de inkomsten 1982, 1983 en 1984) (artikel 60 van voornoemde wet van 28 december 1983).

"De openbare besturen, inzonderheid de besturen die afhangen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Middenstand en het Ministerie van Sociale Zaken, [waren in casu] verplicht aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening de inlichtingen te verstrekken welke deze nodig heeft met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk" (artikel 66 van de wet van 28 december 1983).

Het staat aan de Koning om "de technische en administratieve voorwaarden waarin de Rijksdienst de inning en invordering uitvoert te bepalen. Hij mag de Rijksdienst geen ruimere bevoegdheden verlenen dan die welke toegekend zijn aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid" (artikel 64, derde lid, van de wet) en ook niet de wijze van betaling bepalen van de bijdrage aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (artikel 65 van de wet).

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen bepaalt in dit verband het volgende:

"Aan de hand van de inlichtingen verstrekt door de in artikel 66 van de wet bedoelde openbare besturen zendt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen een berekeningsblad met vermelding van het bedrag der verschuldigde bijdrage, de elementen op basis waarvan de bijdrage is vastgesteld, het eventueel saldo dat door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geïnd of teruggegeven moet worden en de verwijlintresten betreffende dit saldo. Het saldo moet door de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen uiterlijk worden gestort de laatste dag van de maand volgend op die van de toezending van het berekeningsblad."

2. Hoewel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inzake de duur van de verjaringstermijn ervan in de weg staan dat de vordering tot invordering van de door de wet van 28 december 1983 bepaalde bijzondere bijdrage onderworpen is aan de termijn van het gemeen recht van dertig jaar (de oorspronkelijke versie van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek) of van tien jaar sinds de wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek door de wet van 10 juni 1998 (artikel 2262bis, § 1, eerste lid, ingevoerd door artikel 5 van de wet van 10 juni 1998), is het toch wenselijk om, bij gebrek aan een andersluidende wettekst, de aanvang van de verjaringstermijn te bepalen volgens het gemeen recht.

De verjaring begint in principe slechts te lopen op de dag dat de vordering ontstaat. De vordering tot betaling van een geldschuld kan bijgevolg slechts verjaren vanaf de dag dat de schuldeiser de uitvoering ervan kan vragen.

Wanneer, zoals in dit geval, een geldschuld afhangt van een voorwaarde, bijvoorbeeld het feit dat de schuldenaar een belastbaar bedrag aan inkomsten genereert dat meer bedraagt dan drie miljoen Belgische frank, dan ontstaat de vordering slechts wanneer aangetoond is dat aan die voorwaarde is voldaan en de schuldeiser het bedrag van zijn schuldvordering kan bepalen, onverminderd wettelijke of contractuele bepalingen die de datum van opeisbaarheid van dergelijke schuld zouden bepalen (artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek in zijn oorspronkelijke versie, artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek ingevoerd door de wet van 10 juni 1998 en de artikelen 1168, 1181 en 1182 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Uit de vergelijking van de artikelen 60, 61, 64, 65 en 66 van de wet van 28 december 1983 met artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 blijkt dat het bedrag van de bijzondere bijdrage dat aan de schuldenaar definitief is opgelegd slechts opeisbaar is na de laatste dag van de maand volgend op die tijdens welke het berekeningsblad door de eiser is toegezonden - aangezien dat berekeningsblad opgesteld is op grond van de met name door de fiscale overheid overgezonden gegevens overeenkomstig artikel 66 van de wet van 28 december 1983.

De verjaringstermijn zou in dit geval slechts kunnen lopen vanaf 1 mei 1989, aangezien het betwiste berekeningsblad volgens de vaststellingen van het arrest op 8 maart 1989 door de eiser aan de verweerder werd toegezonden.

Daaruit volgt dat het arrest dat oordeelt dat de verjaring (waarvan het, zonder een standpunt in te nemen, vermeldt dat die drie of vijf jaar kan bedragen) begint te lopen "vanaf de dag waarop het (fiscaal) kohier uitvoerbaar wordt dat het bedrag vaststelt van het gezamelijk netto belastbaar inkomen voor het in aanmerking genomen inkomstenjaar, op een hoger bedrag dan de schijf die de wet van 28 december 1983 voorschrijft",

1° de artikelen 60, 61, 64, 65 en 66 van de wet van 28 december 1983 en artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 schendt door te oordelen dat de vordering van de eiser ontstaan is vanaf de dag dat het fiscaal kohier betreffende de door de verweerder ontvangen inkomsten in 1984 uitvoerbaar is geworden en niet op 1 mei 1989;

2° artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek vergeleken met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt aangezien dat artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek hier van toepassing is in zijn oorspronkelijke versie vermits de vordering van de eiser ontstaan is vooraleer de wet van 10 juni 1998 van kracht is geworden en zijn vordering tot de invordering eveneens voordien was ingediend, en voor zoveel als nodig, artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek vermits de vordering tot invordering van de eiser slechts ontstaan is op 1 mei 1989 (schending van alle in het middel aangevoerde bepalingen en inzonderheid van de artikelen 2262 van het Burgerlijk Wetboek, 60, 61, 64, 65 en 66 van de wet van 28 december 1983 en 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984);

3° minstens de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 schendt, voor zoveel het oordeelt dat zij een uitzondering op artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek bevatten, terwijl dat niet het geval is.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De verjaring is een verweer tegen een laattijdige vordering en kan bijgevolg niet beginnen lopen vooraleer de vordering ontstaan is.

De vordering die een verplichting bekrachtigt ontstaat in regel op de dag dat die verplichting moet worden uitgevoerd en verjaart bijgevolg vanaf dat ogenblik.

Artikel 60 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen bepaalt dat de personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto bedrag van de gezamelijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt jaarlijks gehouden zijn tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de aanslagjaren 1983, 1984 en 1985.

Artikel 64, eerste lid, van die wet, vertrouwt de invordering van de bijdrage toe aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, welke krachtens het tweede lid van die wet, hiertoe gemachtigd is langs gerechtelijke weg.

Artikel 66 verplicht de openbare besturen en inzonderheid de besturen die afhangen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Middenstand en het Ministerie van Sociale Zaken aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de inlichtingen te verstrekken welke deze nodig heeft met het oog op de toepassing van de bepalingen betreffende die bijzondere bijdrage.

Overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zendt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de hand van de inlichtingen verstrekt door de in artikel 66 van de wet bedoelde openbare besturen aan de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen een berekeningsblad met vermelding van het bedrag der verschuldigde bijdrage, de elementen op basis waarvan de bijdrage is vastgesteld, het eventueel saldo dat door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geïnd of teruggegeven moet worden en de verwijlintresten betreffende dit saldo.

Luidens het tweede lid van artikel 2 van dat besluit moet het saldo door de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen uiterlijk worden gestort de laatste dag van de maand volgend op die van de toezending van het berekeningsblad.

Uit die bepalingen volgt dat de verjaring van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid slechts bij het verstrijken van die betalingstermijn ingaat.

Het arrest laat die termijn ingaan vanaf "de dag waarop het (fiscaal) kohier uitvoerbaar wordt dat het bedrag vaststelt van het gezamelijk netto belastbaar inkomen voor het in aanmerking genomen inkomstenjaar op een hoger bedrag dan de schijf die de wet van 28 december 1983 bepaalt" en schendt bijgevolg de voornoemde wettelijke en verordenende bepalingen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 27 juni 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Bijzondere bijdrage

  • Betaling

  • Vordering

  • Verjaring

  • Termijn

  • Aanvang