- Arrest van 29 juni 2011

29/06/2011 - P.11.0472.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het algemeen rechtsbeginsel heeft dezelfde waarde als een wet; het is dus geen norm die tegen de wet kan worden toegepast en evenmin een regel waarvan de wetgever niet mag afwijken (1). (1) W. GANSHOF VAN DER MEERSCH, 'Propos sur le texte de la loi et les principes généraux du droit', J.T., 1970, p. 566 e.v.; 'Principes généraux du droit', VERSLAG VAN HET HOF VAN CASSATIE, 2003, p. 144.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0472.F

C. R.,

Mr. Lionel Constant, advocaat bij de balie te Hoei,

tegen

1. SCHRÖDER KÜCHEN, vennootschap naar Duits recht,

2. Mr. Marianne GOIJEN-CORROY, advocaat, handelend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van de naamloze vennootschap Espace 3 Design.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 2 februari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen de eiser ingestelde strafvordering

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser verwijt het arrest dat het verklaart dat de vaststelling van het dossier voor het vonnisgerecht tot gevolg had dat de verjaring van de tegen hem ingestelde strafvordering wordt geschorst. Hij voert aan dat die schorsingsgrond werd opgeheven bij een wet die, niettegenstaande de bepaling die de gevolgen ervan uitstelt, dient toegepast te worden op straffe van miskenning van "het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de minst zware straf onmiddellijk dient toegepast te worden".

Het middel verzoekt het Hof bijgevolg een wetsbepaling naast zich neer te leggen omdat die in strijd zou zijn met een volgens dat middel bestaand algemeen rechtsbeginsel.

Het algemeen rechtsbeginsel heeft dezelfde waarde als een wet. Het is evenwel geen norm die tegen de wet kan worden toegepast en evenmin een regel waarvan de wetgever niet mag afwijken.

Het algemeen beginsel van de retroactieve toepassing van de minst zware straf, dat is vastgelegd in artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, is niet toepasselijk op de wetten die de berekening van de verjaring wijzigen en geen straf opleggen.

Niets verbiedt de wetgever bijgevolg om de toepassing in de tijd uit te stellen van een nieuwe wet waarbij een schorsingsgrond van de strafvordering wordt opgeheven.

Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 dat artikel 5.2 aanvult van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, had tot gevolg dat de nieuwe tekst van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering alleen de strafvordering regelt voor misdrijven die vanaf 1 september 2003 zijn gepleegd.

Het voormelde artikel 24, zoals het vóór zijn wijziging bij artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 was geformuleerd, is dus toepasselijk gebleven op de misdrijven die tot 31 augustus 2003 zijn gepleegd.

Aangezien het arrest het einde van de periode tijdens welke de eiser, met hetzelfde strafbaar opzet, de hem ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd, heeft vastgesteld op 26 januari 2000, schendt dit het oud artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet, wanneer het de daarin bepaalde schorsingsgrond van de verjaring in aanmerking neemt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De door de eiser opgeworpen prejudiciële vraag betreft de grondwettigheid van artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, bepaling waardoor de misdaden en wanbedrijven die vóór 1 september 2003 zijn gepleegd in aanmerking komen voor schorsing van de verjaring wegens de vaststelling van de vervolgingen voor het vonnisgerecht.

Het Grondwettelijk Hof heeft voor recht gezegd, met name in zijn arrest nr. 66/2005 van 23 maart 2005, dat voormeld artikel 33 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Er is bijgevolg geen grond om dat Hof een tweede maal een vraag te stellen met een identiek onderwerp, overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

Tweede onderdeel

Naar luid van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 11 december 1998, is de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid.

De verjaring is dus geschorst vanaf de datum van de eerste rechtszitting, behoudens wanneer de zaak op onregelmatige wijze is vastgesteld.

De verjaringstermijn begint slechts opnieuw te lopen wanneer de zaak sine die wordt uitgesteld, in het geval van uitstel met het oog op het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen, in het geval dat alleen het openbaar ministerie hoger beroep instelt en na verloop van één jaar vanaf de inleiding van de zaak.

Daaruit volgt dat noch het uitstel van de zaak met het oog op de aanwijzing van een lasthebber ad hoc, noch het uitstel waartoe besloten wordt om redenen in verband met de samenstelling van het rechtscollege, de schorsing van de verjaring kunnen verhinderen zoals die is opgelegd bij het oud artikel 24 van de voorafgaande titel.

Het middel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

De eiser voert aan dat de zaak op onregelmatige wijze werd ingeleid in hoger beroep, zodat de verjaring in die fase van de rechtspleging niet kon geschorst worden. De grief is afgeleid uit de bewering dat verschillende beklaagden voor de burgerlijke rechter alsook sommige burgerlijke partijen niet voor de rechtszitting van 10 november 2010 waren opgeroepen.

Naar luid van het oud artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, moet, om de verjaring te kunnen schorsen, de strafvordering en niet de burgerlijke rechtsvordering op regelmatige wijze voor het vonnisgerecht worden ingeleid.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de drie beklaagden, die zelf hoger beroep hebben ingesteld en tegen wie het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld, onder wie de eiser, gedagvaard werden om te verschijnen op de rechtszitting van 10 november 2010 en dat het openbaar ministerie op die dag gevorderd heeft.

De appelrechters beslissen bijgevolg naar recht dat de verjaring vanaf die dag opnieuw geschorst werd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

De aanwijzing van een lasthebber ad hoc om een beklaagde rechtspersoon te vertegenwoordigen, in het geval dat in artikel 2bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is bepaald, is geen aanvullende onderzoekshandeling betreffende de feiten van de telastlegging, in de zin van het oud artikel 24 van die titel.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het proces-verbaal dat is opgemaakt door een officier van de gerechtelijke politie en dat vermeldt dat in beslag genomen stukken op de griffie zijn neergelegd, kan beschouwd worden als een daad die tot doel heeft bewijzen te vergaren of de zaak in staat van wijzen te stellen.

Krachtens artikel 22, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering heeft de verjaringstuitende daad gevolgen zelfs ten aanzien van personen die niet betrokken waren.

Het arrest schendt bijgevolg het voormelde artikel 22 niet wanneer het oordeelt dat het proces-verbaal van de neerlegging van de door de deskundige ontlede boekhouding de verjaring heeft gestuit.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat de verjaring is beginnen lopen vanaf de datum van het in de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek bedoelde misdrijf, te weten het uitschrijven van een ongedekte cheque op datum van 22 december 1999, zodat de appelrechters geen proces-verbaal dat meer dan vijf jaar na die feiten werd opgesteld in aanmerking mochten nemen als verjaringstuitende daad.

De tegen de eiser in aanmerking genomen en bewezen verklaarde misdrijven beperken zich evenwel niet tot het misdrijf dat in de voormelde vordering is bedoeld.

De verjaringstermijn van de strafvordering betreffende een collectief misdrijf begint te lopen vanaf het laatste feit dat door de beklaagde is gepleegd en dat uit hetzelfde strafbaar opzet voortvloeit.

De appelrechters konden beslissen dat de verduistering van activa met verberging van de goederen, die de eiser sub D.7 ten laste wordt gelegd, alsook het niet-factureren van voorschotten en de inning van bedragen zonder factuur, welke de eiser sub J.23 ten laste worden gelegd, feiten die tussen 1 juli 1997 en 27 januari 2000 zijn gepleegd, de opeenvolgende en voortgezette uiting waren van hetzelfde strafbaar opzet. In onderhavig geval komt dit neer op het opzet om zich onrechtmatige voordelen te verschaffen met betrekking tot het beheer van de naamloze vennootschap waarvan hij in feite of in rechte de bestuurder was en die op 26 januari 2000 failliet verklaard was.

De appelrechters nemen bijgevolg naar recht die laatste datum in aanmerking als aanvangstijdstip van de verjaring en kennen bijgevolg het proces-verbaal van 17 januari 2005 de waarde toe van een verjaringstuitende daad die tijdens de oorspronkelijke verjaringstermijn is verricht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 29 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Hiërarchie van de normen

  • Algemeen rechtsbeginsel

  • Dezelfde waarde als een wet