- Arrest van 30 juni 2011

30/06/2011 - C.10.0490.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest is niet naar recht verantwoord wanneer het heeft vastgesteld dat een gemeente het beheer van de parkeerplaatsen via parkeermeters in concessie heeft gegeven bij een overeenkomst die bepaalt dat de concessiehouder de parkeermeters beheert, het parkeergeld int en gemachtigd wordt dat parkeergeld in te vorderen, en vervolgens beslist dat de gemeente niet de hoedanigheid heeft om in rechte op te treden teneinde het onbetaalde parkeergeld in te vorderen en haar vordering niet-ontvankelijk verklaart, aangezien uit die vaststellingen niet volgt dat de concessiehouder de enige is die hoedanigheid heeft om op te treden (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, AR C.10.0490.F, nr. ... .Het Hof heeft diezelfde dag een tweede arrest in die zin gewezen (AR C.10.0491.F).

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0490.F

STAD LA LOUVIÈRE,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

B.M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het in laatste aanleg gewezen vonnis van de vrederechter van La Louvière van 20 januari 2010.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 6 juni 2011 ter griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht en Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek;

- enig artikel van de wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 juli 2005.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart de hoofdvordering van de eiseres niet ontvankelijk, laat de gemaakte kosten te haren laste, veroordeelt haar tot betaling van 500 euro rechtsplegingsvergoeding en 625 euro schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Het baseert die beslissing op de onderstaande redenen:

"het eerste te onderzoeken middel betreft het belang en de hoedanigheid van de [eiseres] om het onbetaald gebleven parkeergeld in te vorderen voor de rechter;

de [eiseres] heeft bij de in het debat overgelegde overeenkomst van 20 april 1993 de openbare dienst van het beheer van 800 parkeerplaatsen via parkeermeters (waaronder in de rue Albert Ier) voor een duur van dertig jaar in exclusieve concessie gegeven met als gemiddelde basis één parkeermeter per twintig plaatsen, met de omstandigheid dat de n.v. City Parking (punt II, pagina 5 en 6 en artikel 2, § 1, van het bijvoegsel nr. 1 van 10 oktober 2003):

- de parkeermeters financiert en eigenaar van die toestellen is;

- het beheer ervan op zich neemt en bijgevolg het parkeergeld int;

- gemachtigd wordt een beroep te doen op een advocaat die zelf een gerechtsdeurwaarder zal belasten met de procedure voor de inning van het parkeergeld nadat hij de persoonsgegevens van de gebruikers bij de diensten van de D.I.V. op wettige wijze zal hebben verkregen;

daaruit volgt dat de [eiseres] niet de hoedanigheid heeft om dit geschil aan de rechter voor te leggen en bijgevolg is de hoofdvordering, alleen al wegens die exceptie die terecht is opgeworpen, niet ontvankelijk."

Grieven

Het instellen van een vordering voor de rechter onderstelt belang en hoedanigheid om op te treden in de zin van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek.

Op pagina 1 van haar aanvullende en syntheseconclusie wees de eiseres op het volgende: "de vordering strekt ertoe de verweerder te doen veroordelen tot betaling van de hoofdsom van 12,50 euro, zijnde de gemeentelijke retributie, te vermeerderen met de administratie- en deurwaarderskosten, omdat hij zijn voertuig op 27 juli 2004 had geparkeerd in La Louvière, rue Albert Ier, zonder het parkeerticket in zijn voertuig te plaatsen".

Het bestreden vonnis wijst er weliswaar op dat de eiseres bij overeenkomst van 20 april 1993 de openbare dienst van het beheer van 800 parkeerplaatsen via parkeermeters (waaronder in de rue Albert Ier) voor een duur van dertig jaar in exclusieve concessie heeft gegeven aan de n.v. City Parking.

De omstandigheid echter dat de eiseres, overeenkomstig het enige artikel van de wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 juli 2005, parkeergeld heeft ingevoerd en dat zij het beheer van de openbare dienst betreffende het betalend parkeren in concessie heeft gegeven aan een derde, impliceert op zich niet dat enkel die derde in rechte kan optreden om de betaling van het onbetaalde parkeergeld te verkrijgen.

Wanneer de gemeente aan een particulier een concessie verleent voor de materiële organisatie van het betalend parkeren en hem opdraagt toe te zien op de naleving van het parkeerreglement, dan delegeert zij haar bevoegdheid niet aan een derde maar beheert zij een openbare dienst op de wijze die haar het meest geschikt lijkt.

Het feit dat een derde zich, krachtens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, in beginsel kan beroepen op de externe gevolgen van de overeenkomst voor derden om een vordering te betwisten die door een van de contracterende partijen tegen hem is ingesteld, neemt niet weg dat het in te vorderen bedrag een gemeentelijke retributie is en blijft en dat de gemeente, hier de eiseres in cassatie, haar belang en hoedanigheid behoudt om in rechte op te treden om de naleving van het ter zake uitgevaardigde gemeentereglement te verzekeren.

Meer bepaald impliceert de in het bestreden vonnis vastgestelde omstandigheid dat de n.v. City Parking de eigenaar van de parkeermeters is en deze beheert, niet dat zij de enige is die belang en hoedanigheid heeft om voor de rechter de onbetaalde gemeentelijke retributies in te vorderen. Dezelfde conclusie geldt voor de in het bestreden vonnis vastgestelde omstandigheid dat de n.v. City Parking gemachtigd wordt een beroep te doen op een advocaat die zelf een gerechtsdeurwaarder zal belasten met de procedure voor de inning van het parkeergeld nadat hij de persoonsgegevens van de gebruikers bij de diensten van de D.I.V. op wettige wijze zal hebben verkregen. Die mogelijkheid impliceert op zich niet dat de eiseres haar recht zou hebben overgedragen om de betaling van een gemeentelijke retributie in te vorderen voor de rechter.

Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, door te beslissen dat de hoofdvordering van de eiseres niet-ontvankelijk is omdat zij niet de hoedanigheid heeft om dit geschil aan de rechter voor te leggen:

- de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek schendt alsook het enige artikel van de wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 juli 2005, daar, ook al is het betalend parkeren in concessie gegeven aan een derde, het voor de rechter in te vorderen bedrag een gemeentelijke retributie is en blijft die is vastgesteld in een gemeentereglement en toegestaan is op grond van het enige artikel van de wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren;

- de voornoemde bepalingen schendt (namelijk de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek alsook het enige artikel van de wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 juli 2005), alsook artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, daar de eiseres, wanneer zij aan een particulier een concessie verleent voor de materiële organisatie van het betalend parkeren en hem opdraagt toe te zien op de naleving van het parkeerreglement, zij haar bevoegdheid niet delegeert aan een derde maar een openbare dienst beheert op de wijze die haar het meest geschikt lijkt, en daar uit die gegevens die door het bestreden reglement worden vermeld en die voortvloeien uit de overeenkomst tussen de eiseres en de n.v. City Parking geenszins kan worden afgeleid dat de eiseres haar recht om de bewuste gemeentelijke retributies in te vorderen, zou hebben overgedragen aan de concessiehouder.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Betreffende het door het openbaar ministerie tegen het cassatieberoep ambtshalve opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: de eiseres heeft nagelaten bij haar cassatieberoep de machtiging van de gemeenteraad in te voegen zoals vereist door artikel L 1242-1 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie van 22 april 2004 :

Het ontbreken van de machtiging om cassatieberoep in te stellen kan door de gemeenteraad worden gedekt tot de sluiting van het debat voor het Hof.

Uit de akte die de eiseres heeft neergelegd op 3 juni 2011 blijkt dat de gemeenteraad op 20 september 2010 het schepencollege gemachtigd heeft om het op 17 augustus 2010 ter griffie van het Hof neergelegde cassatieberoep in te stellen.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Eerste middel

Luidens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiseres het beheer van parkeerplaatsen via parkeermeters in concessie gegeven heeft bij een overeenkomst die bepaalt dat de concessiehouder de parkeermeters beheert, het parkeergeld int en gemachtigd wordt dat parkeergeld in te vorderen.

Daaruit volgt niet dat de concessiehouder de enige is die hoedanigheid heeft om het onbetaalde parkeergeld in te vorderen voor de rechter.

Het bestreden vonnis dat oordeelt dat de eiseres niet de hoedanigheid heeft om in casu in rechte op te treden en de vordering van de eiseres niet-ontvankelijk verklaart, schendt artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de vrederechter van Le Roeulx.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 30 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.

De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beheer van parkeerplaatsen

  • Concessie door de gemeente

  • Onbetaald parkeergeld

  • Invordering

  • Rechtsvordering

  • Hoedanigheid om op te treden