- Arrest van 30 juni 2011

30/06/2011 - C.09.0160.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het gezag van gewijsde op de strafvordering is beperkt tot hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist m.b.t. het bestaan van de aan beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdende met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaken (1). (1) Zie (andersl.) concl. O.M. in Pas., 2011, AR C.09.0160.F, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0160.F

1. M. S.,

2. L. D.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. OCMW HOEI,

(...)

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 september 2008 dat op verwijzing uitspraak doet na het arrest van het Hof van 10 oktober 2003.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 2, 23 en 29 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 4, inzonderheid eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafrechtspleging;

- artikel 6, inzonderheid 1, van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- algemeen beginsel betreffende het gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken.

Aangevochten beslissingen

De eiseres en haar echtgenoot D.J. hebben, zowel in eigen naam als in hun hoedanigheid van wettelijk beheerders van de goederen van de eiser, die minderjarig was ten tijde van de gedinginleidende dagvaardingen in eerste aanleg, voor de rechtbank van eerste aanleg te Hoei de veroordeling gevorderd van de eerste verweerder, van de eerste verweerster, verpleegster, van de tweede verweerster, vroedvrouw, en van de derde verweerster, handelend in eigen naam en in haar hoedanigheid van wettelijk beheerder van de goederen van haar twee minderjarige kinderen, zijnde de tweede en derde verweerder, alle drie als erfgenamen van dokter M. P., om de schade te vergoeden die zij hebben geleden wegens de kwalijke gevolgen van een hypoglycemie waarvan de eiser het slachtoffer is geworden toen hij drie dagen oud was en in de materniteit van de clinique Reine Astrid te Hoei verbleef, die door de eerste verweerder wordt beheerd.

Nadat de eerste rechter de rechtsvordering van de eiseres niet-ontvankelijk had verklaard en het hoger beroep van de eiseres tegen dat vonnis verworpen werd bij het arrest van 8 oktober 2001 van het hof van beroep te Luik, verklaart het bestreden arrest, dat opnieuw uitspraak doet nadat [het] Hof in zijn arrest van 10 oktober 2003 het arrest van het hof van beroep te Luik vernietigd had, de rechtsvordering niet-ontvankelijk die de eiseres had ingesteld tegen de eerste, tweede en derde verweersters, alsook tegen de tweede en derde verweerder, dit wil zeggen tegen de twee verpleegsters en de erfgenamen van dokter P.M., en zegt dat haar rechtsvordering ten aanzien van de vierde verweerster, de verzekeraar die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van dokter P.M. dekt, bijgevolg geen bestaansreden meer heeft. Het baseert die beslissing op de onderstaande redenen:

"II. Strafrechtspleging

Op 7 oktober 1983 legde (de eiseres) klacht neer bij de veldwachter van de gemeente Engis. Zij verklaart onder meer het volgende: ‘Vandaag om 18 uur merkte ik dat de lippen en de nagels van mijn zoon blauw waren en daarom heb ik de dienstdoende verpleegster opgeroepen. Zij heeft mij gezegd dat ik het kind moest toedekken omdat hij het koud had, ofschoon het in de kamer erg warm was.

Rond 21 uur heb ik dezelfde verpleegster gevraagd mijn pediater die nachtdienst had te waarschuwen. Mijn zoontje had immers nog steeds een blauwe kleur en hij had ademhalingsproblemen. Er werd mij geantwoord dat er een dienstwissel zou gebeuren en dat een kinderverzorgster haar zou vervangen, maar nadien heb ik niemand meer gezien, met uitzondering van iemand die op mijn verzoek een papfles met koud water voor de nacht heeft gebracht. Rond 23 uur ging de toestand van mijn zoontje erop achteruit, ik ben opnieuw naar een verpleegster toegegaan en voor de derde keer gevraagd om contact op te nemen met mijn pediater, dokter M., waarna de verpleegster naar mijn zoontje is komen kijken en hem gelet op zijn toestand, de eerste zorgen heeft toegediend. Toen daagde ook mijn pediater op die toevallig langskwam nadat hij bij twee andere kinderen was langs geweest.

(...) Naar het zeggen van de pediater van Bavière, was de toestand van het kind te wijten aan ondervoeding. (...) Daarom denk ik, aangezien ik de clinique Reine Astrid aansprakelijk acht, dat zij gehouden is tot alle medische, morele en andere daaraan verbonden kosten onder voorbehoud van wat mijn zoon in de toekomst te wachten staat'.

Er werd onderzoek gedaan wegens schuldig verzuim. Daartoe werden de dokters Hainaut en Eugène-Dahin door het parket aangesteld om een gerechtelijk geneeskundig verslag op te stellen. Dat werd afgerond op 30 mei 1984. (De eiseres) stelde zich burgerlijke partij.

De verpleegsters (de eerste en tweede verweersters), dokter M. en de (eerste verweerder), in zijn hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke voor de voornoemde verpleegsters, werden vervolgd voor de correctionele rechtbank te Hoei. Hun werd ten laste gelegd dat zij geen hulp hadden verleend aan een persoon in nood omdat zij, in oktober 1983, ‘verzuimd hebben hulp te verlenen of te verschaffen (aan de eiser), iemand die in groot gevaar verkeerde, hoewel zij zelf diens toestand hadden vastgesteld en zij zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen konden helpen of, hoewel die toestand hen was beschreven door degenen die hun hulp inriep en zij op grond van de omstandigheden waarin zij werden verzocht te helpen, niet konden geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er geen gevaar aan verbonden was'.

Zij werden vrijgesproken bij vonnis van deze rechtbank van 7 februari 1986 die zich onbevoegd verklaarde om van de vordering van (de eiseres) kennis te nemen.

Laatstgenoemde heeft in een eerste fase tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. Nadien heeft zij ervan afstand gedaan en de strafkamer van het hof van beroep te Luik heeft bij arrest van 20 april 1989 van haar afstand akte verleend.

IV. Vorderingen ingesteld voor dit hof [van beroep] recht doende op verwijzing

(De eiseres) en haar zoon, die intussen meerderjarig is geworden, vorderen dat het hof [van beroep] de [verweerders] veroordeelt tot betaling van één euro provisionele schadevergoeding en, dat het, alvorens over de schade einduitspraak te doen, een deskundige aanstelt.

Zij baseren hun rechtsvordering op de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en op hun contractuele band met dokter M. en de (eerste verweerder).

Hun grieven ten aanzien van dokter M. en van de verpleegsters zijn gegrond op de vaststellingen in het gerechtelijk geneeskundig verslag dat op verzoek van het parket te Hoei opgesteld is door de dokters Hainaut en Eugène-Dabin.

Aldus leggen zij ten laste:

aan dokter M. :

- dat hij verzuimd heeft de aandacht van de verpleegsters te vestigen op de noodzaak om de bloedsuikerspiegel van L. beter in de gaten te houden gelet op diens geboortegewicht;

- dat hij, gelet op de informatie waarover hij beschikte toen hij het kind onderzocht, een verkeerde diagnose heeft gesteld over de oorzaak van diens toestand waardoor hij nagelaten heeft zijn suikergehalte onmiddellijk te controleren en een infuus aan te koppelen in afwachting van de komst van de ziekenwagen;

aan (de eerste en de tweede verweerster) :

- dat zij verzuimd hebben een beroep te doen op de pediater van L., ondanks de toestand van het kind en het herhaalde verzoek daartoe van (de eiseres).

Bovendien leggen zij de (eerste verweerder), los van zijn hoedanigheid van werkgever van de verpleegsters, een eigen fout ten laste, namelijk een gebrekkige organisatie van zijn personeel dat niet in staat was het hoofd te bieden aan de oproepen van de gehospitaliseerde patiënten wegens een kennelijke te hoge werkdruk.

Zij houden staande dat de door L. geleden schade (ernstige hypoglycemie gevolgd door een ongewone neurologische ontwikkeling) en, ten gevolge daarvan, de door zijn moeder geleden (morele schade), zoals ze in concreto ontstaan zijn, zich zonder die fouten niet zouden hebben voorgedaan.

(...)

b. gezag van het rechterlijk gewijsde van de correctionele rechtbank te Hoei ten aanzien van dokter M. en (van de eerste en tweede verweersters)

Beslissingen die in strafzaken zijn gewezen, hebben tussen de procespartijen een volstrekt gezag van gewijsde dat niet ongedaan kan worden gemaakt door een beslissing van een burgerlijk gerecht.

Hoewel dat gezag uitsluitend betrekking heeft op hetgeen ‘zeker' en ‘noodzakelijk' door de strafrechter is beslist, m.b.t. het bestaan van de aan beklaagden ten laste gelegde feiten, maakt het niet uit dat de rechter nagelaten heeft uitspraak te doen over een welbepaalde kwalificatie van dezelfde feiten, aangezien hij verplicht is uitspraak te doen over alle kwalificaties van het ten laste gelegde feit.

Aldus stelt de correctionele rechtbank die, zoals hier, beslist dat de ten laste gelegde feiten bestaan in het niet-verlenen van hulp aan een persoon in nood niet bewezen zijn, noodzakelijkerwijs vast dat die dezelfde feiten geen ander misdrijf opleveren.

Uit de gegevens die aan het hof [van beroep] zijn voorgelegd, volgt dat de feiten waarop (de verweerster) en haar zoon hun burgerlijke rechtsvordering tegen dokter M. en tegen (de eerste en de tweede verweerster) baseren, dezelfde zijn als die waarvan de correctionele rechtbank te Hoei laatstgenoemden heeft vrijgesproken.

Die feiten, ongeacht of ze in het burgerlijk proces als contractuele fouten dan wel als buitencontractuele fouten worden aangemerkt, vormen echter, in de onderstelling dat ze bewezen zijn, het grondbestanddeel van het misdrijf onopzettelijk toebrengen van letsels door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in de zin van artikel 418 van het Strafwetboek.

Het hof [van beroep] miskent het beginsel van het gezag van het gewijsde van het door de correctionele rechtbank te Hoei gewezen vrijsprekend vonnis, wanneer het vaststelt dat de [verweerders] een dergelijk misdrijf hebben gepleegd.

Daaruit volgt dat de rechtsvordering tegen dokter M. en tegen (de eerste en de tweede verweerster) niet ontvankelijk is."

Grieven

Eerste onderdeel

Beslissingen in strafzaken hebben gezag van gewijsde tussen de partijen in het strafgeding.

Het arrest vermeldt de regel.

Bovendien is de degene die een burgerlijke rechtsvordering instelt tegen de inverdenkinggestelde of de beklaagde, in het strafgeding slechts partij tegen die beklaagde of inverdenkinggestelde. Hij is geen partij in het strafgeding tegen andere inverdenkinggestelden of beklaagden tegen wie hij geen burgerlijke rechtsvordering heeft ingesteld.

Uit de bewoordingen van het in het arrest bedoelde vonnis van 7 februari 1986 van de rechtbank van eerste aanleg te Hoei die uitspraak deed in correctionele zaken volgt echter dat, ofschoon de verweersters A.J. en L.P. en dokter P.M. vervolgd werden wegens overtreding van artikel 422bis van het Strafwetboek en de eerste verweerder gedagvaard werd als burgerrechtelijke aansprakelijke voor de verweersters A.J. en L.P., de eiseres uitsluitend tegen de verweersters A.J., L.P. en de eerste verweerder, maar niet tegen P.M., een burgerlijke rechtsvordering heeft ingesteld.

Daaruit volgt dat, ingeval het arrest, om de aangevochten redenen - en door onder meer te vermelden dat de eiseres "een burgerlijke rechtsvordering heeft ingesteld" -, beslist dat tussen de eiseres in eigen naam en qualitate qua en dokter P.M. een geding voor het strafgerecht was aangegaan, op grond dat eerstgenoemde een burgerlijke rechtsvordering zou hebben ingesteld tegen laatstgenoemde, het hof van beroep de bewijskracht miskent van het vonnis van 7 februari 1986 van de rechtbank van eerste aanleg te Hoei, uitspraak doende in correctionele zaken (schending van de artikelen 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek).

Ingeval daarentegen, moet worden aangenomen dat het hof van beroep, om de aangevochten redenen, beslist heeft dat de eiseres, in eigen naam en qualitate qua, tijdens het strafgeding uitsluitend tegen de eerste en de tweede verweerster en tegen de eerste verweerder, in diens hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke voor de eerste en de tweede verweerster, maar niet tegen dokter P.M., een burgerlijke rechtsvordering had ingesteld, miskent het arrest het begrip gezag van gewijsde van een strafrechterlijke beslissing, dat, in een later burgerlijk geding, enkel kan worden aangevoerd tegen een partij in het strafgeding (schending van artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafrechtspleging, artikel 6, inzonderheid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, en miskenning van het voormelde algemeen rechtsbeginsel).

Tweede onderdeel

Het gezag van het door de strafrechtbank gewijsde betreft uitsluitend hetgeen zeker en noodzakelijk is beslist, m.b.t. het al dan niet bestaan van de aan de inverdenkinggestelde(n) of beklaagde(n) ten laste gelegde feiten en rekening houdende met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaken.

Uit de bewoordingen van het in het arrest bedoelde vonnis van 7 februari 1986 van de rechtbank van eerste aanleg te Hoei die uitspraak deed in correctionele zaken volgt echter dat, ofschoon de verweersters A.J. en L.P. vervolgd werden en de eerste verweerder gedagvaard werd als burgerrechtelijk aansprakelijke voor A.J. en L.P., er hen overtredingen van artikel 422bis van het Strafwetboek ten laste werden gelegd omdat zij "verzuimd hadden hulp te verlenen of te verschaffen" aan de eiser - wat een opzettelijk misdrijf is dat een moreel bestanddeel of het bestanddeel opzet vereist.

De vorderingen die aanhangig waren gemaakt bij het hof van beroep, dat bij het bestreden arrest uitspraak heeft gedaan, en die gericht waren tegen de verpleegster en de erfgenamen van dokter P.M., hadden niet dezelfde oorzaak als de burgerlijke rechtsvordering die de eiseres tegen hen voor de correctionele rechtbank had ingesteld: ze waren gegrond op een beroepsfout - die slechts in een eenvoudige onopzettelijke onachtzaamheid kan bestaan.

Hetzelfde geldt voor de vordering tegen de erfgenamen van dokter P.M..

Met betrekking tot dokter P.M. vermeldt het vonnis van 7 februari 1986 van de rechtbank van eerste aanleg te Hoei, uitspraak doende in correctionele zaken, dat "het vanuit louter strafrechtelijk oogpunt geen belang heeft erop te wijzen dat de door het parket gevorderde wetsdokters het idee zouden hebben geopperd dat de beklaagde een‘andere therapeutische behandeling' had kunnen krijgen; dat het aldus opgeworpen probleem eventueel vanuit het oogpunt van een beroepsfout zou kunnen worden onderzocht, maar dat het voor het overige geen weerslag heeft op de tenlastelegging zoals deze is verwoord".

Gelet op die redenen kan de beslissing van 7 februari 1986 van de rechtbank van eerste aanleg te Luik, uitspraak doende in correctionele zaken, geen gezag van gewijsde hebben dat de ontvankelijkheid zou kunnen beletten van de rechtsvordering van de eiseres, waarover het bestreden arrest uitspraak heeft gedaan en die, volgens de bewoordingen zelf van dat arrest, gegrond was op het feit dat dokter P.M. verzuimd had "de aandacht van de verpleegsters te vestigen op de noodzaak om [de eerste eiser] beter in de gaten te houden" en dat hij "een verkeerde diagnose gesteld" had. Die fouten hebben immers niets te maken met het moreel bestanddeel of het bestanddeel opzet van het misdrijf dat aan dokter P.M. ten laste werd gelegd binnen het kader van die vervolgingen, aangezien het ontbreken van dat bestanddeel zijn vrijspraak had gerechtvaardigd.

Het vonnis van 7 februari 1986 waarbij de rechtbank van eerste aanleg te Hoei, uitspraak doende in correctionele zaken, de verpleegsters, de eerste en de tweede verweerster, heeft vrijgesproken, is wat betreft de verweerster L.P., hierop gegrond dat zij "zich op geen enkel ogenblik heeft kunnen inbeelden dat baby S. zo'n ernstig, werkelijk en dreigend gevaar had kunnen lopen; dat een van de wezenlijke bestanddelen van het misdrijf zoals het ten laste wordt gelegd hier ontbreekt" en, met betrekking tot de verweerster A.J., dat "uit alle gegevens - die in het strafdossier zijn vastgesteld - kan worden opgemaakt dat het opzet dat voor de tenlastelegging is vereist, namelijk de onverschilligheid en het bovenmatige en onverschoonbare egoïsme, niet bewezen is. De rechtbank sluit niet uit dat er een burgerrechtelijke fout is begaan: maar door het ontbreken van het bestanddeel opzet dat vereist is opdat zij als misdrijf kan worden aangemerkt, kan [geen enkele] strafrechtelijke veroordeling worden uitgesproken.

In de conclusie van de eisers voor het hof van beroep, na cassatie van het eerste arrest, werd de verpleegsters evenwel aangewreven - en dat was de grondslag van de vordering tot veroordeling - dat zij, ondanks het verzoek van de eiseres, geen beroep hadden gedaan op de pediater.

Het feit dat de strafrechtelijke beslissing de partijen bindt bij latere vervolgingen voor de burgerlijke rechtbank, neemt niet weg dat de vrijspraak wegens ontstentenis van bedrog, dat een voorwaarde is voor het misdrijf, of van het bestanddeel opzet, waardoor de feiten waarop de vervolgingen gegrond waren niet de kenmerken van een misdrijf hadden, niet uitsluit dat de burgerlijke rechter de beklaagde of de vrijgesproken inverdenkinggestelde veroordeelt tot betaling van schadevergoeding voor een beroepsfout die zelfs onopzettelijk kan zijn begaan.

Daaruit volgt dat het hof van beroep dat de rechtsvordering van de eisers tegen de eerste en de tweede verweerster en de erfgenamen van dokter P.M., om de aangevochten redenen, niet-ontvankelijk verklaart, niet alleen het - beperkte - gezag van het door het strafgerecht gewijsde miskent (schending van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafrechtspleging en miskenning van het aangewezen algemeen rechtsbeginsel) - maar ook de oorzaak van de vordering in rechte in de zin van de artikelen 23 en 29 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien de vordering van de eiseres voor de rechtbank van eerste aanleg te Hoei, uitspraak doende in correctionele zaken, niet dezelfde oorzaak had als de vordering die aanhangig was gemaakt bij het hof van beroep dat bij het bestreden arrest uitspraak heeft gedaan (schending, niet alleen van de wetsbepaling en van het algemeen rechtsbeginsel zoals het hierboven is vermeld, maar ook van de artikelen 2, 23 en 29 van het Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel.

Het gezag van gewijsde op de strafvordering is beperkt tot hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, m.b.t. het bestaan van de aan beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdende met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaken.

Het vonnis van 7 februari 1986 van de correctionele rechtbank te Hoei zegt dat het aan dokter P.M. ten laste gelegde verzuim hulp te verlenen aan iemand die in nood verkeert "niet bewezen is zoals het in de dagvaarding verwoord is". Het baseert die vrijspraak op de vaststellingen die het preciseert en op de overwegingen "dat het vanuit louter strafrechtelijk oogpunt geen belang heeft erop te wijzen dat de door het parket gevorderde wetsdokters het idee zouden hebben geopperd dat de beklaagde een‘andere therapeutische behandeling' had kunnen krijgen [en] dat het aldus opgeworpen probleem eventueel vanuit het oogpunt van een beroepsfout zou kunnen worden onderzocht, maar dat het voor het overige geen weerslag heeft op de tenlastelegging zoals deze is verwoord".

Dat vonnis zegt dat hetzelfde aan L.P., hier de derde verweerster, ten laste gelegde feit evenmin bewezen is zoals het in de dagvaarding is verwoord. Het baseert die vrijspraak op de vaststellingen die het preciseert en op de overwegingen "dat uit de in het debat voorgelegde gegevens volgt dat beklaagde L.P. zich op geen enkel ogenblik heeft kunnen inbeelden dat baby S. zo'n ernstig, werkelijk en dreigend gevaar had kunnen lopen; dat een van de wezenlijke bestanddelen van het misdrijf zoals het ten laste wordt gelegd hier ontbreekt."

Hetzelfde vonnis zegt verder dat hetzelfde aan A.J., hier de tweede verweerster, ten laste gelegde feit niet bewezen is zoals het in de dagvaarding is verwoord. Het baseert die vrijspraak op de vaststellingen die het preciseert en op de overwegingen "dat uit alle gegevens - die in het strafdossier zijn vastgesteld - kan worden opgemaakt dat het opzet dat voor de tenlastelegging is vereist, namelijk de onverschilligheid en het bovenmatige en onverschoonbare egoïsme, niet bewezen is aan de zijde van de beklaagde J."

Uit die vermeldingen volgt dat de correctionele rechtbank enkel onderzocht heeft of zij, in de aaneenschakeling van de gebeurtenissen en de gedragingen van de drie beklaagden, een feit heeft kunnen aanmerken dat een nalatigheid opleverde die omschreven moest worden als een door artikel 422bis van het Strafwetboek strafbaar gesteld schuldig verzuim.

De correctionele rechtbank heeft uitdrukkelijk geweigerd na te gaan of dokter P.M. een "beroepsfout" had begaan, met name of hij het kwaad had veroorzaakt door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk de persoon van een ander aan te randen.

De correctionele rechtbank heeft eveneens, op impliciete wijze, geweigerd te onderzoeken of de beklaagden L.P. en A.J. een niet-opzettelijke fout hadden begaan, met name of zij het kwaad hadden veroorzaakt door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk de persoon van een ander aan te randen.

Bijgevolg strekt het gezag gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank te Hoei van 7 februari 1986 zich niet uit tot de burgerlijke rechtsvorderingen die voor de burgerlijke rechter waren ingesteld en gegrond waren op de onopzettelijke fouten die werden begaan door de drie beklaagden P.M., L.P. en A.J..

Het bestreden arrest verklaart die rechtsvorderingen niet-ontvankelijk omdat het hof van beroep het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken zou hebben miskend door te onderzoeken of de aan die beklaagden ten laste gelegde feiten als "het misdrijf onopzettelijk letsel door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in de zin van artikel 418 van het Strafwetboek" kunnen worden omschreven.

Door aldus uitspraak te doen, miskent het bestreden arrest dat algemeen rechtsbeginsel en verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over de rechtsvordering tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Hoei die gegrond is op een eigen fout van die partij;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, als voorzitter, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare rechtszitting van 30 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden