- Arrest van 2 augustus 2011

02/08/2011 - P.11.1353.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Gelet op het essentieel belang van de aanwezigheid van de inverdenkinggestelde voor de magistraat die moet onderzoeken of er al dan niet grond is om hem in vrijheid te stellen, is het niet in strijd met de artikelen 6.1 en 6.3.c E.V.R.M. om te oordelen dat de weigering van de inverdenkinggestelde om te verschijnen door hemzelf of zijn raadsman moet worden gemotiveerd, opdat hij recht zou hebben op vertegenwoordiging achteraf op de rechtszitting; het onderzoeksgerecht beoordeelt in hoeverre de daartoe aangevoerde redenen een geldige reden uitmaken om niet in persoon te verschijnen alsook voor de machtiging om de inverdenkinggestelde te vertegenwoordigen (1). (1) Het openbaar ministerie had een andersluidende conclusie genomen waarin het verwijst naar zijn conclusie in Cass. 9 juni 2010, AR P.10.0931.F, AC, 2010, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1353.F

I. R. K.,

II. R. K.,

Mr. Marc Nève, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen I en II zijn respectievelijk gericht tegen het tussenarrest C1080 en het arrest C1081 van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 juli 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM alsook miskenning van het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: aangezien de raadkamer op regelmatige wijze heeft vastgesteld dat de eiser in de onmogelijkheid verkeerde om op de rechtszitting te verschijnen en om die reden toestond dat hij door zijn raadsman zou worden vertegenwoordigd, en aangezien de toestand op het ogenblik van zijn verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling nog steeds ongewijzigd is, weigert de kamer van inbeschuldigingstelling ten onrechte dat de eiser door zijn raadsman wordt vertegenwoordigd.

2. De weigering om in persoon te verschijnen en de wens om zich door een advocaat te doen vertegenwoordigen, maken deel uit van het recht van verdediging en zijn een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. De inverdenkinggestelde of de beklaagde kan niet, louter omdat zij niet verschijnen, het recht worden ontzegd om op de rechtszitting door hun raadsman te worden vertegenwoordigd.

3. Artikel 23, 2°, Voorlopige Hechteniswet bepaalt evenwel, enerzijds, dat indien de verdachte in de onmogelijkheid verkeert op de rechtszitting te verschijnen, de raadkamer zijn advocaat machtigt hem te vertegenwoordigen en, anderzijds, dat indien de advocaat, regelmatig verwittigd, niet verschijnt of geen machtiging vraagt om zijn cliënt te vertegenwoordigen, zij uitspraak kan doen in afwezigheid van de verdachte en van zijn raadsman. Het voormelde artikel voegt daaraan toe dat hetzelfde geldt wanneer de verdachte weigert te verschijnen.

4. Artikel 23, 2°, Voorlopige Hechteniswet staat het onderzoeksgerecht aldus toe om de inverdenkinggestelde die ervoor kiest het toezicht van de rechter op zijn voorlopige hechtenis niet bij te wonen, de voormelde vertegenwoordiging te weigeren.

Gelet op het essentieel belang van de aanwezigheid van de inverdenkinggestelde voor de magistraat die moet onderzoeken of er al dan niet grond is om hem opnieuw in vrijheid te stellen, schendt het bestreden arrest de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM niet als het beslist dat de inverdenkinggestelde zelf of zijn raadsman diens weigering om te verschijnen moet motiveren opdat hij recht zou kunnen hebben op vertegenwoordiging op de rechtszitting.

5. Het staat aan het onderzoeksgerecht om te oordelen in hoeverre de aldus aangevoerde redenen een geldige reden uitmaken om niet in persoon te verschijnen en een geldige reden zijn voor de machtiging om de inverdenkinggestelde te vertegenwoordigen.

Dienaangaande zegt het tussenarrest: "[De eiser] verschijnt niet aangezien hij geweigerd heeft zich naar het Justitiepaleis te begeven om voor deze kamer van inbeschuldigingstelling te verschijnen, zoals blijkt uit het hierbij gevoegde stuk van 22 juli 2011. (...) Mr Wettinck Frédérique loco Mr Berbuto Sandra verklaart dat zij haar cliënt wenst te vertegenwoordigen, die het voorwerp zou zijn geweest van slagen en bedreigingen in de gevangenis en die om die reden in de onmogelijkheid verkeert om te verschijnen. Zij legt het hof de aan de onderzoeksrechter gerichte correspondentie voor waarin gewelddaden worden aangeklaagd waarvan haar cliënt in de gevangenisinstelling het slachtoffer zou zijn geweest", niettemin beslist het als volgt: "de door Mr Wettinck aangevoerde redenen beantwoorden niet aan de vereisten van artikel 23, 2°, van de wet van 20 juli 1990, aangezien de onmogelijkheid om op de zitting te verschijnen onvoldoende is bewezen."

Het arrest, dat er aldus op wijst dat de eiser heeft geweigerd zich naar het justitiepaleis te begeven om op de zitting te verschijnen, doelt op één van de gevallen die in artikel 23, 2°, zijn bepaald en die het verlies met zich meebrengen van het recht om door een advocaat te worden vertegenwoordigd.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de onaantastbare beoordeling door de rechters van de redenen die de eiser aanvoert om zijn niet-verschijning te verantwoorden, berust het op feiten en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

(...)

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Etiene Goethals, de raadsheren Eric Stassijns, Françoise Roggen, Alain Bloch en Peter Hoet, en in openbare terechtzitting van 2 augustus 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Voorlopige hechtenis

  • Handhaving

  • Onderzoeksgerechten

  • Inverdenkinggestelde weigert te verschijnen

  • Recht op vertegenwoordiging door een advocaat

  • Gemotiveerde weigering

  • Beoordeling van de weigeringsgronden door het onderzoeksgerecht