- Arrest van 2 september 2011

02/09/2011 - C.10.0185.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De door de rechtbank aangewezen vereffenaar die geen partij was in het geding voor de eerste rechter en die ten gevolge van zijn aanwijzing de ontbonden vennootschap vertegenwoordigt die gedagvaard was om te verschijnen naar aanleiding van een hoger beroep van de vennootschap, hoeft niet in het geding te worden opgeroepen (1). (1) Zie concl. O.M., Pas., 2011, AR C.10.0185.F, nr. ...


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0185.F

GERIX, cv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. ASSOCIATION DES COPROPRIETAIRES DE LA RESIDENCE LONHIENNE,

2. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 29 oktober 2009 van het hof van beroep te Luik.

Op 3 mei 2011 heeft advocaat-generaal Thierry Werquin een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal

Thierry Werquin is in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 31, 700, 701, 702, 703, 704, 706, 711, 728, 741, 780, 811, 812, 813, 922, 994 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 61, 182, 184, 185, 186, 187 en 188 van het Wetboek van Vennootschappen.

Aangevochten beslissing

Het arrest heeft vastgesteld dat "[de eiseres] in het op 6 januari 2009 neergelegde verzoekschrift hoger beroep instelt tegen het op 8 december 2008 door de rechtbank van koophandel te Luik gewezen vonnis", en verklaart vervolgens het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk op de volgende gronden:

"Een geschil is onsplitsbaar in de zin van artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft materieel onmogelijk zou zijn (Cass., 18 november 2002, R.D.J.P., 2003, 139, opm. S. Mosselmans; Cass., 26 januari 2004, Pas., 2004, I, 154 en J.L.M.B., 2004, 944) [...]. Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet op grond van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek het hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep. Deze moet bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken (G. de Leval, Eléments de procédure civile, p. 314, nr. 221; K. Broeckx, ‘Hoger beroep in meerpartijen geschillen', in Le procès au pluriel, p. 91, nr. 36; Luik, 4 december 1997, J.L.M.B., 1998, 1616. G; Closset-Marchal, J.-Fr. Van Drooghenbroeck, S. Uhlig, ‘Droit judiciaire privé. Les voies de recours', R.C.J.B., 2006, nrs. 259 en 261, p. 289 en 291).

Aangenomen wordt dat ‘de gezamenlijke tenuitvoerlegging van een beslissing waarbij een koopman faillietverklaard wordt en van een beslissing waarbij die faillietverklaring wordt ingetrokken materieel onmogelijk zou zijn; (...) dat immers het faillissement onsplitsbaar is, zodat het onmogelijk zou zijn om een beslissing waarbij een vennootschap faillie verklaard wordt en die waarbij de faillietverklaring ingetrokken wordt tegelijkertijd ten uitvoer te leggen' (Cass., 26 januari 2004, R.R.D., 2004, 22).

Dat is te dezen het geval daar de tenuitvoerlegging van het bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte vonnis dat de ontbinding van de [eiseres] beveelt en dat de meesters C. en J. tot vereffenaars aanwijst onverenigbaar zou zijn met de tenuitvoerlegging van een arrest dat de ontbinding van de vennootschap intrekt en de vereffenaars ontslaat van hun opdracht aangezien laatstgenoemden niet in de zaak betrokken zijn in hoger beroep: ‘voor het instellen van een beroep tegen de gerechtelijke beslissing tot ontbinding (...) is vereist dat alle partijen in eerste aanleg, onder wie de vennootschap en de vereffenaar, in de zaak worden betrokken, daar het geschil onsplitsbaar is' (O. Caprasse en Fr. Georges, ‘Responsabilité du gérant et pouvoir de représentation d'une société dissoute: deux opportunités de réflexion sur l'office du juge', J.L.M.B., 1999, 711; P. Jehasse, Manuel de la liquidation, Kluwer, 2007, nr. 144, p. 99)".

Grieven

1. Hoewel het geschil onsplitsbaar is "wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn" (artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek), en artikel 1053, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is in de betekenis van dat woord in artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek , de appellant zijn hoger beroep moet "richten tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep" en "deze bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijn van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak moet betrekken", volgt uit laatstgenoemde bepaling niet dat de eiser in hoger beroep personen die geen partij zijn in het geding, in hoger beroep zou moeten dagvaarden of in de zaak betrekken, zelfs als ze in de bestreden beslissing aangewezen zijn tot deskundigen of tot vereffenaars van een vennootschap waarvan de ontbinding is uitgesproken.

Alleen de eisers en de verweerders alsook de tussenkomende of tot tussenkomst opgeroepen partijen die conclusie hebben genomen of op zijn minst zijn aangezocht om te verschijnen en conclusie te nemen voor de eerste rechter hebben immers de hoedanigheid van partij in het geding voor de eerste rechter (artikelen 700, 701, 702, 704, 706, 711, 728, 741, 780, 811, 812, 813, 992 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek).

2. De vereffenaars van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid zijn organen van die rechtspersoon (artikelen 61, § 1, 182, inzonderheid § 3, 184, 185, 186, 187 en 188 van het Wetboek van vennootschappen) en vallen uit dien hoofde samen met de rechtspersoon die zij vertegenwoordigen (artikel 61, § 1, van het Wetboek van vennootschappen, 703, inzonderheid eerste lid, en 994 van het Gerechtelijk Wetboek), zodat, wanneer een vennootschap met rechtspersoonlijkheid partij is in een geding, haar organen er automatisch tegenwoordig zijn in die hoedanigheid en vice versa.

3. Bijgevolg heeft het arrest dat had aangenomen dat de eiseres "hoger beroep had ingesteld tegen het op 8 december 2008 door de rechtbank van koophandel te Luik gewezen vonnis", dat hoger beroep niet ontvankelijk kunnen verklaren op grond dat de eiseres de in het vonnis aangewezen vereffenaars in de zaak had moeten oproepen overeenkomstig artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek zonder hierdoor:

1° voornoemd artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek te schenden volgens hetwelk de eiser in hoger beroep, in geval van een onsplitsbaar geschil, enkel de voor de eerste rechter gedingvoerende partijen in beroep moet dagvaarden of oproepen en geen derden, zelfs als die in het bestreden vonnis zijn aangewezen tot vereffenaars van een vennootschap waarvan het de vereffening beveelt;

2° tevens het begrip gedingvoerende partij, inzonderheid in de zin van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek, te miskennen door te beslissen dat de in het vonnis van 8 december 2008 van de rechtbank van koophandel te Luik aangewezen vereffenaars die hoedanigheid hadden, terwijl zij juist niet de hoedanigheid van eiser of van verweerder en evenmin die van tussenkomende of tot tussenkomst opgeroepen partijen hadden en zij voor die rechtbank geen conclusie hadden genomen of daartoe waren aangezocht (schending van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel nodig, van de artikelen 700, 701, 702, 704, 706, 711, 728, 741, 780, 811, 812, 813 en 992 van het Gerechtelijk Wetboek);

3° althans de artikelen 61, § 1, 182, inzonderheid § 3, 184, 185, 186, 187, 188 van het Wetboek van vennootschappen, 703, inzonderheid eerste lid, en 994 van het Gerechtelijk Wetboek te schenden door te beslissen dat de vereffenaars van de eiseres niet in de zaak waren betrokken voor het hof van beroep, aangezien zij daartoe niet waren opgeroepen, terwijl de eiseres hoger beroep had ingesteld tegen de beslissing waarbij zij ontbonden werd en dus wel degelijk partij was in hoger beroep zodat haar vereffenaars in hun hoedanigheid van orgaan noodzakelijkerwijs en automatisch in de zaak betrokken waren.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Artikel 1053, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep moet gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep. Het tweede lid bepaalt dat deze bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak moet betrekken. Het derde lid bepaalt dat bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels het hoger beroep niet wordt toegelaten.

Overeenkomstig de artikelen 61, § 1, 182, § 3 en 186, Wetboek van Vennootschappen handelen de vennootschappen waarvan de gerechtelijke ontbinding is uitgesproken door hun wettelijk orgaan, namelijk de door de rechtbank aangewezen vereffenaar die, voor zover de akte van benoeming niet anders bepaalt, alle rechtsvorderingen kan voeren.

Noch uit die wetsbepalingen noch uit enige andere volgt dat de door de rechtbank aangewezen vereffenaar die geen partij was in het geding voor de eerste rechter en die ten gevolge van zijn aanwijzing de ontbonden vennootschap vertegenwoordigt die gedagvaard was om te verschijnen naar aanleiding van een hoger beroep van de vennootschap, in de zaak moet worden opgeroepen.

Het arrest beslist dat "de tenuitvoerlegging van het vonnis dat de ontbinding van de [eiseres] beveelt en meesters C. en J. tot vereffenaars aanwijst [...] onverenigbaar zou zijn met de tenuitvoerlegging van een arrest dat de ontbinding van de vennootschap intrekt en de vereffenaars ontslaat van hun opdracht, aangezien laatstgenoemden niet in de zaak betrokken zijn in hoger beroep".

Op grond van die overwegingen verantwoordt het arrest de beslissing dat "het hoger beroep [...] niet ontvankelijk is", niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum,

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest;

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 2 september 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Ontbinding uitgesproken door de rechtbank van koophandel

  • Aanwijzing van een vereffenaar

  • Hoger beroep van de ontbonden vennootschap

  • Vereffenaar die niet in het geding is opgeroepen

  • Ontvankelijkheid van het hoger beroep