- Arrest van 2 september 2011

02/09/2011 - C.10.0643.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer verschillende motorrijtuigen betrokken zijn bij een verkeersongeval, is iedere verzekeraar van die voertuigen gehouden tot volledige vergoeding van de schade van het slachtoffer dat niet de bestuurder is (1). (1) Cass. 2 sept. 2011, AR C.10.0242.F, AC, 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0643.F

1. ARGENTA VERZEKERINGEN nv,

2. P. N.,

3. B. T.,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

AG INSURANCE nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 30 juni 2009.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 29bis, § 1, § 4 en § 5, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;

- de artikelen 1214, 1249, 1250, 1251, 3°, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 41, eerste lid, en 45 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, krachtens hetwelk de rechter de grenzen van de betwisting die de partijen hem voorleggen niet te buiten mag gaan.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis wijzigt het beroepen vonnis behalve in zoverre dit de oorspronkelijke vorderingen ontvankelijk heeft verklaard, en veroordeelt Ethias en de eerste eiseres elk tot betaling van de helft van het bedrag van 85.493,10 euro te vermeerderen met de compensatoire interest tegen de opeenvolgende wettelijke rentevoeten sinds de dag van de betaling tot aan het vonnis en vervolgens met de gerechtelijke interest tot de algehele betaling.

Tevens veroordeelt het bestreden vonnis de heer H., de vennootschap Ethias en de eiseres gezamenlijk tot betaling van de kosten van het geding en in hoger beroep tot betaling van de basisrechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro.

Met betrekking tot het eerste ongeval beslist het bestreden vonnis eerst dat het onmogelijk is om de aansprakelijkheid te verdelen en, vervolgens, met betrekking tot het tweede ongeval, dat mevrouw L. er niet voor aansprakelijk is. Het overweegt dat de verzekeringsmaatschappij van mevrouw L., ook al is laatstgenoemde niet aansprakelijk voor het tweede ongeval, gerechtigd is om de uitkeringen terug te vorderen die zij voor de lichamelijke letsels van de heer V., de mede-inzittende in het voertuig van mevrouw L., heeft betaald.

De beslissing van de appelrechters berust op de volgende redenen:

"3.4.2. M.b.t. het tweede ongeval is de rechtbank, in tegenstelling tot het eerste vonnis, van oordeel dat mevrouw L. er niet voor aansprakelijk is.

In een bocht dook voor haar immers plots een donker voertuig op, dat gedeeltelijk dwars over de rijweg stond, vlak voorbij een verlichte strook, terwijl zij plots terechtkwam op een stuk weg waar de openbare verlichting wel werkte, behalve op de plaats van het ongeval, zoals trouwens met nadruk door de verbalisanten wordt vermeld. Daar haar op basis van het dossier geenszins kan worden verweten dat zij te vlug reed of met een snelheid die niet aan de omstandigheden van tijd en plaats was aangepast, moet worden aangenomen dat zij stond voor een niet te voorziene hindernis en dat zij niet aansprakelijk is voor de oorzaken en de gevolgen van het tweede ongeval.

Met betrekking daartoe brengt het verslag dat op verzoek van de [verweerster] opgemaakt is door de deskundige V. L., geen enkel doorslaggevend element bij voor het debat, aangezien hij niet heeft kunnen uitmaken hoe het ongeval is gebeurd en zich hoofdzakelijk ertoe beperkt heeft te wijzen op de lacunes in de materiële vaststellingen door de politie, hetgeen onmiddellijk opvalt bij het lezen van het dossier.

Bovendien verandert het feit dat het voertuig van de heer H. al dan niet verlicht was, niets aan de situatie. Ook al was het verlicht, dan nog zou dat niets veranderen aan het feit dat de hindernis niet te voorzien was. Mevrouw L. zou hoe dan ook de achterlichten te laat opgemerkt hebben en het verrassingseffect zou even groot geweest zijn.

Daarenboven wordt het feit dat mevrouw L. de Hyundai niet gezien heeft nog versterkt door het getuigenis van de heer H. die immers verklaart dat hij uit zijn auto is gestapt en plots een auto op zich zag afkomen. Dit bewijst dat het eerste ongeval maar pas gebeurd was toen de Mini kwam aangereden en dat de bestuurster, ook al deed de heer H. teken naar de Mini, hem niet gezien heeft zodat de heer H. nog net de tijd heeft gehad om weg te springen en hij anders verpletterd zou zijn. Een dergelijke verklaring bewijst wel degelijk dat mevrouw L. niets kon zien en noch de heer H., noch zelfs zijn voertuig van ver genoeg kon opmerken om tijdig te reageren.

Nochtans is de verzekeringsmaatschappij van mevrouw L., ook al kan laatstgenoemde niet aansprakelijk worden gesteld voor het tweede ongeval, niet gerechtigd om de bedragen die zij ter vergoeding van materiële schade heeft betaald, op haar te verhalen, aangezien het onmogelijk was om het aandeel in de aansprakelijkheid van de betrokkenen voor het eerste ongeval te bepalen.

Enkel het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, dat niet bij de zaak werd betrokken, had daarvoor een vergoeding kunnen betalen.

Dit geldt niet voor de vergoeding voor de lichamelijke schade van de heer V., mede-inzittende in het voertuig van mevrouw L., aangezien de [verweerster] hem op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen als zwakke weggebruiker vergoed heeft voor een bedrag van 85.593,10 euro, zoals blijkt uit de dadingsovereenkomsten en de kwijting die ondertekend zijn op 3 januari 2001 en allebei gewag maken van subrogatie.

[De verweerster] in het hoofdgeding legt niet alleen de dadingsovereenkomst en de kwijting neer, maar tevens het in der minne opgemaakte medisch deskundigenverslag dat opgesteld is met het oog op de vergoeding voor de heer V.

[...] Bijgevolg moeten de [eerste eiseres] en Ethias elk veroordeeld worden tot betaling van de helft van het voornoemde bedrag. Aangezien het om een zwakke weggebruiker gaat, is de op grond van artikel 29bis ingestelde vordering van de [verweerster] immers niet verjaard en moet elke verzekeringsmaatschappij van de bij het eerste ongeval betrokken voertuigen haar voor de helft vergoeden".

Grieven

Artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij verscheidene motorrijtuigen betrokken zijn alle schade geleden door de slachtoffers en voortvloeiend uit lichamelijke letsels hoofdelijk vergoed wordt door de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of de bestuurder van de motorrijtuigen dekken.

Krachtens artikel 29bis, § 4, treedt de verzekeraar die het slachtoffer heeft vergoed overeenkomstig § 1 in de rechten van het slachtoffer "tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden".

Artikel 29bis, § 5, voegt daaraan toe dat de regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing blijven op alles wat niet uitdrukkelijk bij dat artikel wordt geregeld.

Uit de hierboven weergegeven redenen van het bestreden vonnis volgt dat de verweerster de heer V., mede-inzittende in de door mevrouw L. bestuurde wagen, vergoed heeft op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en dat de verweerster, die zich naderhand gebaseerd heeft op de subrogatie in de rechten van de heer V., die bedongen was in de dadingsovereenkomst en de kwijting die door laatstgenoemde waren ondertekend, de eisers en de vennootschap Ethias op grond van artikel 29bis gedagvaard heeft tot terugbetaling van het bedrag van 85.593,10 euro dat aan de heer V. was uitgekeerd, waarbij "elke verzekeringsmaatschappij van de bij het eerste ongeval betrokken voertuigen haar voor de helft (moet) vergoeden".

(...)

Vierde onderdeel

Het bestreden vonnis zou evenmin naar recht verantwoord zijn indien zou worden aangenomen dat het de regresvordering van de verweerster tegen de eerste eiseres niet heeft toegewezen op basis van de bedongen subrogatie van de verweerster in de rechten van de heer V. of op basis van de in artikel 29bis, § 4, bedoelde subrogatie, maar wel op grond van de overweging dat het voertuig van de derde eiseres betrokken was bij het tweede ongeval en dat de eerste eiseres bijgevolg, krachtens artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989, ertoe gehouden was de heer V., zwakke weggebruiker, te vergoeden.

Voornoemd artikel 29bis, § 1, bepaalt dat de verzekeraars van de bij een ongeval betrokken voertuigen "hoofdelijk" ertoe gehouden zijn de lichamelijke schade alsook de kledijschade van de zwakke weggebruikers te vergoeden.

Gesteld dat de eerste eiseres hoofdelijk met de vennootschap Ethias ertoe gehouden zou zijn de heer V. te vergoeden, dan kon de verweerster, gelet op de hoofdelijkheid van de verzekeraars van de betrokken voertuigen, van de eerste eiseres slechts haar bijdrage in de betaling van het bedrag van 85.593,10 euro vorderen, anders gezegd, een derde van dat bedrag.

Artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt immers dat indeplaatsstelling van rechtswege geschiedt ten voordele van degene die, met anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen.

Tussen hoofdelijke medeschuldenaars wordt de schuld verdeeld in gelijke delen. Degene die de gehele schuld voldaan heeft kan van de overige schuldenaars niet méér terugvorderen dan wat ieders aandeel bedraagt (artikel 1214 van het Burgerlijk Wetboek). De regel van de verdeling van de schuld bij gelijke delen berust eveneens op artikel 45 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Daaruit volgt dat de veroordeling van de eerste eiseres tot betaling van de helft, en niet van slechts een derde, van het bedrag van 85.593,10 euro in hoofdsom niet naar recht verantwoord is (schending van artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, van de artikelen 1214 en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 45 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Vierde onderdeel.

Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, en § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, die op het geschil van toepassing is, wordt, bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer, die niet de bestuurder is, of zijn rechthebbenden, en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig die wet.

Luidens artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek geschiedt indeplaatsstelling van rechtswege ten voordele van degene die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen.

Uit die bepalingen volgt dat, wanneer verscheidene motorrijtuigen bij een verkeersongeval betrokken zijn, iedere verzekeraar van de voertuigen gehouden is tot volledige vergoeding van de schade van het slachtoffer dat niet de bestuurder is.

Ingeval geen van de bestuurders van de betrokken voertuigen aansprakelijk voor het ongeval wordt verklaard, moet elk van de verzekeraars, in hun onderlinge verhoudingen, een gelijk bedrag van de vergoeding dragen.

Wanneer een van de verzekeraars een zwakke weggebruiker vergoedt die het slachtoffer is geworden van een ongeval, beschikt hij, op grond van voornoemd artikel 1251, 3°, over een regresvordering tegen elk van de overige verzekeraars van de betrokken vertuigen, tot beloop van hetgeen hij bovenop zijn aandeel en bovenop het gelijke gedeelte dat elkeen moet dragen, heeft uitbetaald.

Het vonnis dat eerst oordeelt dat drie voertuigen betrokken zijn bij het litigieuze ongeval en dat de aansprakelijkheid van geen van de bestuurders bewezen is, en vermeldt dat de verweerster de schade van de mede-inzittende van haar verzekerde volledig vergoed heeft, heeft de eerste eiseres, in haar hoedanigheid van verzekeraar van een van de drie bij het ongeval betrokken voertuigen, slechts kunnen veroordelen tot beloop van een derde van de aan het slachtoffer uitgekeerde bedragen.

Het vonnis dat de eerste eiseres veroordeelt om de helft van de door haar gedane betalingen aan de verweerster terug te betalen, schendt artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 en artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eerste eiseres veroordeelt om aan de verweerster de helft te betalen van het bedrag van 85.593,10 euro vermeerderd met compensatoire en gerechtelijke interest en in zoverre het de eisers in de kosten van eerste aanleg en van het hoger beroep veroordeelt;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 2 september 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verkeersongeval

  • Betrokkenheid van drie voertuigen

  • Getroffene die niet de bestuurder is

  • Verplichting van de verzekeraars