- Arrest van 5 september 2011

05/09/2011 - S.10.0119.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 30ter, §6, B, eerste lid, R.S.Z.-wet, voor de opheffing ervan bij koninklijk besluit van 26 december 1998, legde een sanctie op aan de hoofdaannemer die de bij de wet opgelegde inlichtingen niet verstrekte, teneinde aldus de onwettige activiteiten van de koppelbazen te bestrijden en strekte er toe via bestraffing een ontradende werking te hebben.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0119.N.

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BOUWBEDRIJF SNOECK nv, met zetel te 9870 Zulte, Beekstraat 28,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het arbeidshof te Gent van 6 maart 2009 en 2 oktober 2009.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert navolgend middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 6 en 7.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gesloten te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955;

- artikel 15.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO), gesloten te New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981;

- artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek;

- het legaliteitsbeginsel in strafzaken, waarvan artikel 2 van het Strafwetboek een toepassing uitmaakt;

- de artikelen 2, 7 tot 43quater, 45 en 49 van het Strafwetboek;

- artikel 30ter, in het bijzonder §6, B, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), thans opgeheven bij KB van 26 december 1998.

Aangevochten beslissing

Het bestreden tussenarrest oordeelt, in navolging van het Grondwettelijk Hof, dat de in artikel 30ter, §6, B, van de RSZ-wet bedoelde sanctie, de kenmerken van een straf vertoont en niet als een burgerlijke sanctie kan worden beschouwd:

"In een arrest nr. 157/2002 d.d. 6 november 2002 (BS 24 februari 2003) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de in artikel 30ter, § 6, B van de RSZ-wet bedoelde sanctie, een overwegend repressief karakter heeft en niet als een burgerlijke sanctie kan worden beschouwd. (Dit artikel 30ter wordt trouwens niet vermeld onder afdeling 2 ‘Burgerlijke sancties' van Hoofdstuk IV van de RSZ-wet).

(...)

Dit betekent dat, in tegenstelling tot wat de eerste rechter voorhoudt, de arbeidsrechtbank die moet oordelen over het bedrag dat is opgelegd met toepassing van artikel 30ter, § 6, B, wel degelijk over een controle met volle rechtsmacht beschikt.

Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de geldboete kunnen moduleren, dit wil zeggen opheffen, in de gevallen bedoeld in artikel 30ter, § 6, C, 2de lid, of verminderen binnen de in artikel 30ter, § 6, B bedoelde grenzen (...).

In tegenstelling tot de sanctie voorzien in artikel 30ter, §6, A, waar er sprake is van een verhoging van bijdragen, is er in artikel 30ter, § 6, B sprake van een forfaitaire som van 5 % als sanctie.

Het bestreden tussenarrest oordeelt dat er geen verzachtende omstandigheden zijn en dat, gelet op het evenredigheidsprincipe, de sanctie niet moet worden herleid zodat verweerster dient veroordeeld te worden tot betaling van de opgelegde geldsom van 19.075,98 euro .

Het bestreden tussenarrest is evenwel van mening dat er redenen zijn om aan te nemen dat verweerster niet kan worden veroordeeld tot het betalen van verwijlintresten en evenmin tot betaling van de gerechtelijke intresten :

"Noch het toenmalig artikel 30ter van de RSZ-wet, noch enig uitvoeringsbesluit voorziet dat de werkgever verwijlintrest verschuldigd is indien hij in gebreke blijft de ‘geldboete' binnen de gestelde termijn te betalen. De geldsom, voorzien in artikel 30ter, § 6, B is kennelijk geen vergoeding voor het nadeel dat de werkgever heeft veroorzaakt maar vertoont, zoals gezegd, kenmerken van een straf. Indien de rechter de werkgever zou veroordelen tot betaling van intrest op de opgelegde geldboete zou hij een bijkomende straf uitspreken waarin de wet niet voorziet en derhalve de wet schenden (vlg. Cassatie, 2 maart 1995, Arr. Cass. 1995, 260).

Aangezien partijen zich daaromtrent niet hebben uitgesproken ziet het tussenarrest zich genoodzaakt, om de rechten van verdediging niet te schenden, de debatten ambtshalve te heropenen teneinde partijen toe te laten hun standpunt in conclusies uiteen te zetten en hen te horen omtrent de mogelijkheid om de werkgever te veroordelen tot het betalen van intresten op de door eiser opgelegde geldsom.

In het eindarrest beslist het arbeidshof dat er geen verwijlintresten en gerechtelijke intresten verschuldigd zijn op de verschuldigde som van 19.075,98 EUR, op grond van de volgende overwegingen:

"Het Arbeidshof stelt vast dat het Grondwettelijk Hof de term ‘geldboete' hanteert en er een kwalificatie aan toekent die verenigbaar is met het begrip ‘strafrechtelijke sanctie', zoals dat afgeleid wordt uit de algemene beginselen van het strafrecht en uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Overigens is de door (eiser) geciteerde rechtspraak van het Hof van Cassatie voorbijgestreefd of bijgestuurd (zie noot P. Hoet onder Cass. 26 februari 2008, R.W. 2008-2009, blz. 1220 e.v.)

Geen enkele wettelijke bepaling voorziet de toekenning van verwijlintresten bij niet tijdige betaling van deze geldboete, zodat een gebeurlijke veroordeling hiertoe een bijkomende straf zou meebrengen die niet geoorloofd is (vgl. Cass 2 maart 1995, Arr. Cass., 1995, 260).

Het Arbeidshof is derhalve van oordeel dat de werkgever niet kan veroordeeld worden tot betaling van de verwijlintresten op de gevorderde geldsom en evenmin tot betaling van de gerechtelijke intresten, die de voortzetting zijn van de verwijlintresten."

Grieven

Eerste onderdeel

1. Ingevolge artikel 30ter, §6, B, van de wet van 27 juni 1969 is de hoofdaannemer en de onderaannemer aan eiser een vergoeding verschuldigd wanneer hij niet handelt overeenkomstig de verplichtingen van §5 die luiden als volgt:

"Alvorens een werf te beginnen moet iedere hoofdaannemer volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om de belangrijkheid van de werf te ramen en er, in voorkomend geval, in welk stadium ook, de onderaannemers van te identificeren. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden andere onderaannemers moeten tussenkomen, moet de hoofdaannemer voorafgaandelijk voormelde Rijksdienst hiervan verwittigen.

Daartoe moet iedere onderaannemer die op zijn beurt een beroep doet op een andere onderaannemer, voorafgaandelijk de hoofdaannemer daarvan schriftelijk in kennis stellen" (artikel 30ter, §5).

De som die door de hoofdaannemer, respectievelijk onderaannemer, aan eiser is verschuldigd wanneer voormelde verplichtingen niet worden nageleefd is:

"minstens gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag der werkzaamheden, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, die niet aan voormelde Rijksdienst werden gemeld en maximaal 5 pct. van het totaal bedrag der werkzaamheden, exclusief belasting over de toegevoegde waarde die hem op de betrokken werf zijn toevertrouwd. De som die van de hoofdaannemer geëist wordt, wordt verminderd met het bedrag dat daadwerkelijk werd betaald aan de Rijksdienst door de onderaannemer met toepassing van de bepaling van het hierna volgende lid.

De onderaannemer die zich niet schikt naar de bepalingen van §5, tweede lid, is aan de Rijksdienst een som verschuldigd gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag der werkzaamheden, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, die hij heeft toevertrouwd aan zijn onderaannemer of aan zijn onderaannemers op de betrokken werf" (artikel 30ter, §6, B).

2. De kwalificatie als straf in de zin van de artikelen 6 en 7.1 EVRM, en 15.1 BUPO, gebeurt aan de hand van verschillende criteria, zoals onder meer de indeling van de inbreuk volgens het nationaal recht, de aard van de inbreuk, het repressief of preventief karakter ervan, de aard en gestrengheid van de sanctie en het algemeen karakter van de bepaling die alle burgers aangaat.

3. Aangezien artikel 30ter RSZ-wet is opgenomen onder afdeling 2bis van hoofdstuk IV van de RSZ-wet, en niet onder de strafbepalingen, terwijl naast de betaling van de geldsom bedoeld in artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, krachtens artikel 35 RSZ-wet tevens een strafsanctie kan worden opgelegd, kan het op grond van artikel 30ter, §6, B, verschuldigde bedrag, volgens het nationale recht, niet als een straf worden aangemerkt in de zin van de artikelen 7 tot en met 43quater S.W.

De indeling van de bedoelde sanctie volgens het nationaal recht wijst derhalve niet in de richting van eens straf in de zin van de artikelen 6 en 7.1 EVRM, en 15.1 BUPO.

4. Ook uit de aard van de bedoelde inbreuk volgt dat geen sprake kan zijn van een straf in de zin van de artikelen 6.1 EVRM, 7.1 en 15.1 BUPO in zoverre artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, eerder een preventief dan een repressief doel nastreeft en in hoofdzaak een schadeloosstelling beoogt.

In zoverre artikel 30ter, §5, RSZ-wet, enkel verplichtingen oplegt aan aannemers heeft die bepaling bovendien geen algemeen karakter en belangt zij bijgevolg niet alle burgers aan.

5. Artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet bepaalt verder dat het bedrag dat van de hoofdaannemer kan worden geëist, verminderd wordt met het bedrag dat daadwerkelijk werd betaald aan eiser door de onderaannemer die de bepalingen van §5, tweede lid, niet in acht heeft genomen.

De mogelijkheid om de sanctie van de hoofdaannemer aldus te herleiden, bevestigt dat deze sanctie louter als schadeherstellend moet worden beschouwd.

Het bedrag van de op te leggen sanctie is ten anderen niet dermate zwaarwichtig dat de sanctie een strafrechtelijk karakter verkrijgt.

6. Zowel uit al deze overwegingen, als uit de wil van de wetgever volgt derhalve dat het aldus verschuldigde bedrag geen strafsanctie is maar een forfaitaire herstelvergoeding.

7. Waar het voorwerp van de vordering tot betaling van de forfaitaire herstelvergoeding van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, de betaling betreft van een numerieke geldsom, waarvan de nominale waarde wordt bepaald door de wet in functie van de waarde van de aan de niet-gemelde onderaannemer toevertrouwde werken, kunnen met toepassing van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering, nooit in iets anders kan bestaan dan in de wettelijke intrest, derhalve verwijlintresten worden toegekend bij niet tijdige betaling van de op grond van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, verschuldigde geldsom.

8. Hieruit volgt, eensdeels, dat het bestreden tussenarrest niet wettig heeft beslist dat de in artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet bedoelde geldsom kennelijk geen vergoeding is voor het nadeel dat de werkgever heeft veroorzaakt, maar een overwegend repressief karakter heeft en de kenmerken vertoont van een straf waardoor deze geldsom niet als een burgerlijk sanctie kan worden beschouwd, anderdeels, dat het bestreden eindarrest niet wettig, op grond van het strafrechtelijk karakter van de bedoelde sanctie, heeft geoordeeld dat geen verwijlintresten, noch gerechtelijke intresten kunnen worden toegekend (schending van de artikelen 6 en 7.1 EVRM, en 15.1 BUPO, 7 tot en met 43quater S.W., 30ter, §6, B, RSZ-wet, 1153 B.W.).

Tweede onderdeel

9. In de veronderstelling dat de burgerlijke sanctie van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, getoetst aan de criteria van de artikelen 6 en 7.1 EVRM, en 15.1 BUPO, het karakter heeft van een strafrechtelijke sanctie - quod non -, brengt dit enkel mee dat de waarborgen van de bepalingen van het EVRM en het BUPO moeten worden in acht genomen.

De vaststelling dat de sanctie van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet het karakter heeft van een straf in de zin van de artikelen 6 en 7.1 EVRM, en 15.1 BUPO, heeft niet tot gevolg dat die sanctie van strafrechtelijke aard is in de zin van het Belgisch Strafwetboek, noch dat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht erop toepassing moeten vinden.

10. De vaststelling dat de sanctie van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet het karakter heeft van een straf in de zin van de artikelen 6 en 7.1 EVRM, en 15.1 BUPO, impliceert derhalve niet dat deze sanctie, ofschoon zij een betaling in geld impliceert, als een strafrechtelijke geldboete moet worden opgevat zoals bepaald in de artikelen 7 en 38 S.W.

De sanctie van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, kan derhalve niet zonder meer worden onderworpen aan hetzelfde regime als de geldboete zodat artikel 40 S.W., dat bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling slechts vervangen kan worden door een gevangenisstraf, geen toepassing kan vinden.

Het feit dat geen enkele wettelijke bepaling voorziet in de toekenning van verwijlintresten bij niet tijdige betaling van een geldboete (cf. het legaliteitsbeginsel in strafzaken, waarvan artikel 2 S.W. een toepassing uitmaakt), vormt derhalve geen beletsel voor de toekenning van verwijlintresten bij niet tijdige betaling van de geldsom verschuldigd op grond van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet.

Anders dan de appelrechters aanvoeren in het eindarrest zal een gebeurlijke veroordeling tot betaling van verwijlintresten, bij niet tijdige betaling van de sanctie van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, geen bijkomende straf met zich meebrengen, die niet voorzien is in de wet en niet geoorloofd is.

Bij samentreffen van geldboete, teruggave en schadevergoeding, hebben de twee laatstgenoemde veroordelingen in ieder geval de voorrang (artikelen 45 en 49 S.W.).

11. De sanctie van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet blijft derhalve, ondanks haar aard van strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 6 en 7.1 EVRM, en 15.1 BUPO, het karakter behouden van een forfaitaire herstelvergoeding.

Waar de vordering tot betaling van een forfaitaire herstelvergoeding de betaling van een numerieke geldsom tot voorwerp heeft, waarvan de nominale waarde wordt bepaald door de wet in functie van de waarde van de aan de niet-gemelde onderaannemer toevertrouwde werken, kunnen met toepassing van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering, nooit in iets anders kan bestaan dan in de wettelijke intrest, derhalve verwijlintresten worden toegekend aan eiser bij niet tijdige betaling door de aannemer van de op grond van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, verschuldigde geldsom, alsmede gerechtelijke intresten, die er de voortzetting van zijn.

Het feit dat artikel 30ter RSZ-wet, noch enig uitvoeringsbesluit voorziet dat de aannemer verwijlintresten is verschuldigd indien hij in gebreke blijft de verschuldigde geldsom te betalen, staat de toekenning van verwijlintresten op grond van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek niet in de weg nu deze bepaling ook van toepassing is op verbintenissen die uit de wet voortvloeien.

12. Hieruit volgt dat het bestreden eindarrest derhalve niet wettig heeft beslist dat verweerster niet kan worden veroordeeld tot betaling van de verwijlintresten op de door eiser, overeenkomstig artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet gevorderde geldsom, noch tot betaling van de gerechtelijke intresten, die de voortzetting zijn van de verwijlintresten, op grond dat de sanctie van artikel 30ter, §6, B, RSZ-wet, een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 6 EVRM, die volgens de algemene beginselen van het strafrecht als een "geldboete" moet worden gekwalificeerd (schending van de artikelen de artikelen 6 en 7.1 EVRM, en 15.1 BUPO, het legaliteitsbeginsel in strafzaken 2, 7 tot en met 43quater, 45 en 49 S.W., 30ter, §6, B, RSZ-wet, 1153 B.W.).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 30ter, §6, B, eerste lid, van de RSZ-wet, voor de opheffing van dit artikel bij koninklijk besluit van 26 december 1998, zoals te dezen van toepassing, legde een sanctie op aan de hoofdaannemer die de bij de wet opgelegde inlichtingen niet verstrekte, teneinde aldus de onwettige activiteiten van de koppelbazen te bestrijden en strekte er toe via bestraffing een ontradende werking te hebben.

Die sanctie kon tot aanzienlijke bedragen oplopen, waarvan de vaststelling, binnen de in de wet bepaalde perken, werd overgelaten aan de overheid die het bedrag moest moduleren, niet met de bedoeling om, al was het maar forfaitair, een geleden nadeel te vergoeden, maar door rekening te houden met de ernst van de tekortkoming.

Deze maatregel had een overwegend repressief karakter en kan niet als een louter burgerlijke sanctie worden beschouwd.

2. Aldus vertoonde deze maatregel het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de bedoelde sanctie louter een vergoeding was voor het nadeel dat de werkgever-hoofdaannemer had veroorzaakt, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. De omstandigheid dat de bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie was in de zin van de artikelen 7 EVRM en 15.1 IVBPR, brengt mee dat de waarborgen van de bepalingen van het EVRM en IVBPR moeten in acht worden genomen.

4. De voormelde artikelen 7.1 en 15.1 bepalen dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbaar feit van toepassing was. Dit impliceert dat geen bijkomende straf mag worden opgelegd die niet was voorzien ten tijde van het begaan van het strafbaar feit.

De RSZ-wet voorzag, ingeval van niet-naleving van de meldingsplicht voorgeschreven door artikel 30ter, §5, in een sanctie, bestaande uit de betaling van een bedrag van minstens 5 pct van het totale bedrag van de niet-gemelde werkzaamheden en maximaal 5 pct van het bedrag van de aan de hoofdaannemer op de betrokken werf toevertrouwde werkzaamheden. In een nalatigheidsinterest werd niet voorzien.

Met toepassing van de voormelde artikelen 7.1 en 15.1 is het de rechter niet toegelaten de hoofdaannemer die de door artikel 30ter, §5, van de RSZ-wet voorgeschreven meldingsplicht niet heeft nageleefd, te veroordelen tot betaling van verwijlintrest op de som die hij krachtens artikel 30ter, §6, B, aan de eiser verschuldigd is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 158,00 euro en voor de verweerster op de som van 269,23 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 5 september 2011 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Hoofdaannemer

  • Niet voldoen aan de informatieplicht ten aanzien van de RSZ

  • Sanctie

  • Ratio legis