- Arrest van 6 september 2011

06/09/2011 - P.11.0501.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het in strafzaken toepasselijke artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep, belet het openbaar ministerie niet om hoger beroep in te stellen tegen elke beslissing die de uitoefening van de strafvordering belemmert, wat ook de houding van het openbaar ministerie is geweest voor de eerste rechter (1). (1) Cass. 22 sept. 1993, AR P.93.0420.F, AC, 1993, nr. 365; Cass. 2 juni 1998, AR P.96.1587.N, AC, 1998, nr. 283; Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1592.N, AC, 2010, nr. 229 met concl. O.M.; Cass. 14 dec. 2010, AR P.10.0671.N, AC, 2010, nr. 741; Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2005, 'De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in strafzaken: artikelsgewijze bespreking van de rechtspraak van het Hof', p. 259.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0501.N

I

D T A F,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Patrick Bernard Martens, advocaat bij de balie te Brugge.

II

P D,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Joachim Meese en mr. Walter Van Steenbrugge, beiden advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling kamer, van 15 februari 2011.

De eiser I voert in een memorie die aan het arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand van het cassatieberoep van de eiser II

1. De eiser II vraagt de afstand van zijn cassatieberoep te willen vaststellen in zoverre dit voorbarig is.

De afstand kan worden verleend in zoverre het cassatieberoep van de eiser II betrekking heeft op de beslissing van het arrest dat het onderzoek volledig is en op de beslissing tot verwijzing van de eiser II naar de correctionele rechtbank wegens de hem ten laste gelegde feiten.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser I

2. Het arrest oordeelt dat het onderzoek volledig is en het verwijst de eiser I wegens de hem ten laste gelegde feiten naar de correctionele rechtbank.

Met die beslissing bevat het arrest geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en doet het evenmin uitspraak in een van de gevallen bepaald in het tweede lid van die bepaling.

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep van de eiser I is niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel van de eiser I

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de beschikking van de raadkamer van 8 december 2010 die "de zaak (verdaagt) in dezelfde staat, met behoud van de rechten voorzien in artikel 61 qq. met vraag tot het bekomen van bijkomende onderzoeksdaden, naar haar zitting van 20.04.2011 (...)" ten onrechte ontvankelijk; dit is een maatregel van inwendige aard in de zin van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek die het openbaar ministerie geen enkel nadeel toebrengt.

4. Het in strafzaken toepasselijke artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van een rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep.

Deze bepaling belet het openbaar ministerie evenwel niet om hoger beroep in te stellen tegen elke beslissing die de uitoefening van de strafvordering belemmert, wat ook de houding van het openbaar ministerie is geweest voor de eerste rechter.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

5. De appelrechter oordeelt onaantastbaar of de beroepen beslissing de strafvordering belemmert. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

6. Het arrest (p. 59) oordeelt dat:

- de uitvoering van de strafvordering in gevaar dreigt te komen door een onverantwoorde vertraging gelet op het uitstel van de regeling van de rechtspleging door de raadkamer;

- gezien het verloop van de strafvordering tot op de datum van de behandeling van de zaak voor de appelrechters, ieder uitstel, om welke reden ook, een onverantwoorde vertraging van de uitvoering van de strafvordering met zich zou meebrengen.

Aldus is de beslissing dat het openbaar ministerie over het vereiste belang beschikt om zich in hoger beroep te voorzien tegen het verleende uitstel en dat dit hoger beroep dus ontvankelijk is, naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel van de eiser I

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering: het arrest leidt uit het vaststellen in de beschikking van de raadkamer van 8 december 2010 van het behoud van de door artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering bepaalde rechten ten onrechte een belang af voor het openbaar ministerie om hoger beroep aan te tekenen; over de door artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoeken beslist immers de onderzoeksrechter en tegen diens beslissing staat voor het openbaar ministerie hoger beroep open bij de kamer van inbeschuldigingstelling.

8. Het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen tegen elke beslissing die de uitoefening van de strafvordering belemmert.

De omstandigheid dat het openbaar ministerie in een latere fase van de regeling van de rechtspleging hoger beroep kan aantekenen tegen een door de onderzoeksrechter bij toepassing van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering verleende beschikking, ontneemt haar niet het recht om een beweerde onwettige beslissing van de raadkamer aangaande een door die bepalingen bedoeld verzoek onmiddellijk aan te vechten met een hoger beroep.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel van de eiser I

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beschikking van de raadkamer van 8 december 2001 om de zaak uit te stellen een beschikking is in de zin van artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering.

10. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschending.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel van de eiser I

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM evenals miskenning van het recht op tegenspraak en het recht van verdediging: het arrest miskent eisers rechten door hem te verwijzen naar de correctionele rechtbank zonder hem toe te laten een verzoek tot aanvullende onderzoeksdaden neer te leggen en zonder dat het dossier ter beschikking was voor de rechtszitting van de raadkamer en van de kamer van inbeschuldigingstelling.

12. In zoverre het onderdeel aanvoert dat is geweigerd eisers door de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering bedoeld verzoek zowel vóór de rechtszitting van de raadkamer als op die rechtszitting in ontvangst te nemen en dat geen inzage is verleend van het dossier ter gelegenheid van de behandeling door de raadkamer en ter gelegenheid van de behandeling door de appelrechters, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

13. Voor het overige beslist het arrest (p. 25-26) met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal en met eigen redenen dat:

- eens de termijn om artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering toe te passen is verstreken, artikel 127, § 2, en § 3, Wetboek van Strafvordering aan de raadkamer geen ruimte laat om alsnog uitstel te verlenen om de inzagetermijn te verlengen en alsnog artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering toe te passen;

- artikel 127 Wetboek van Strafvordering de raadkamer bij een correcte toepas¬sing van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering enkel toelaat vast te stellen dat er een kennelijk ontvankelijk verzoekschrift als bedoeld door artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering is gericht aan de onderzoeksrechter uiterlijk vóór de aanvangsdatum van de rechtszitting waarop de zaak voor regeling van de rechtspleging is vastgesteld, en om dienvolgens de procedure op te schorten tot na de behandeling van het verzoek of de gebeurlijke afhandeling van het verdere onderzoek;

- bij afwezigheid van de toepassing van artikel 127, § 2, en § 3, Wetboek van Strafvordering de raadkamer enkel de rechtspleging kan regelen dan wel verklaren dat de zaak niet in staat van wijzen is dan wel de zaak uitstellen voor behandeling, maar geenszins met behoud van het recht om in een latere fase toepassing te maken van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering;

- de termijn om een door de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering bedoeld verzoek neer te leggen, indien er geen inverdenkinggestelden in voorlopige hechtenis zijn, minimum vijftien dagen bedraagt;

- de beperking van de toepassing in de tijd van de artikelen 61quinquies en 127 Wetboek van Strafvordering het recht van partijen niet schaadt gezien een uitstel met het oog op conclusies onder meer omtrent de stand van het onderzoek steeds mogelijk blijft, afgezien van de mogelijkheid van de raadkamer om de zaak niet in staat van wijzen te verklaren.

Aldus verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing dat in deze zaak na 8 december 2010 geen door artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering bedoeld verzoek meer kon worden neergelegd.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Eerste onderdeel van de eiser II

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek en artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de beschikking van 8 december 2010 ten onrechte ontvankelijk; een loutere vertraging van de strafvordering levert geen beroepsmogelijkheid op voor het openbaar ministerie tegen een beslissing tot uitstel van de zaak; het arrest dat niet preciseert dat de vertraging de strafvordering in gevaar brengt en evenmin waarin dit gevaar bestaat, verantwoordt die beslissing niet naar recht; het arrest kon uit de vaststelling in de beroepen beschikking van voorbehoud van de rechten bedoeld door artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering evenmin een belang afleiden voor het openbaar ministerie; het openbaar ministerie kon immers tegen de beslissing van de onderzoeksrechter over de door artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoeken hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling.

15. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste en het tweede onderdeel van de eiser I.

Het wordt om dezelfde redenen als vermeld in antwoord op die onderdelen, verworpen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel van de eiser II

16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 215 Wetboek van Strafvordering: het arrest is niet naar recht verantwoord omdat het op het hoger beroep van het openbaar ministerie beslist over de verwijzing van de eiser naar de correctionele rechtbank zonder artikel 215 Wetboek van Strafvordering te vermelden.

17. De rechter die artikel 215 Wetboek van Strafvordering toepast, dient deze bepaling niet te vermelden.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel van de eiser II

18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 127 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet eisers in appelconclusie aangevoerd verweer dat hij door het nog niet ontvangen van een door hem bestelde kopie van het strafdossier zijn verdediging niet naar behoren heeft kunnen voorbereiden.

19. De eiser heeft voor de appelrechters de afwezigheid van een kopie van het strafdossier niet aangevoerd als een zelfstandig verweer maar als een argument ter ondersteuning van zijn verweer dat het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk was.

Het arrest oordeelt met de redenen die het vermeldt (p. 59) dat het hoger beroep van het openbaar ministerie wel ontvankelijk is en beantwoordt aldus eisers verweer. Het hoefde daarbij niet te antwoorden op de door de eiser ter staving van dit verweer aangevoerde argumenten, die zelf geen zelfstandig verweer uitmaken.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel van de eiser II

20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 127 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest schendt eisers rechten door op het hoger beroep van het openbaar ministerie de rechtspleging te regelen en de eiser te verwijzen naar de correctionele rechtbank, niettegenstaande de eiser zich in zijn appelconclusie erover had beklaagd dat hij nog steeds geen kopie had ontvangen van het overeenkomstig artikel 127 Wetboek van Strafvordering bestelde strafdossier.

21. Krachtens artikel 127, § 2, in fine, Wetboek van Strafvordering stelt de griffier de inverdenkinggestelde en zijn advocaat in kennis dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt en dat ze inzage ervan kunnen hebben en kopie ervan kunnen opvragen.

Het enkele feit dat een inverdenkinggestelde op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging nog geen kopie van het dossier heeft ontvangen, houdt op zich geen miskenning in van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces. De inverdenkinggestelde heeft inzage kunnen nemen van het dossier en voor het onderzoeksgerecht de stukken ervan kunnen tegenspreken.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing betreffende de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering

22. De substantiële en de op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent afstand zoals hierboven gepreciseerd.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 275,08 euro waarvan de eiser I en II elk 137,54 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 6 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Beslissing of maatregel van inwendige aard

  • Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek

  • Toepasselijkheid